Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de dorsale afdeeling der kern ontspringen, in de caudale doorsnede (fig. 362) kruisen, in de proximale doorsnede niet meer.

Het is aan v o n Gudden, die volkomen op de hoogte was der hier geschilderde verhoudingen in de oculomotorius-kern van het konijn, gelukt, orde te brengen in de oogenschijnlijk zoo verwarde plaatsing der verschillende kernen. Indien bij het konijn éénzijdig (na enucleatie van het oog) de N. oculomotorius en de N. trochlearis werden uitgerukt, dan kon hij vaststellen wat in fig. 364 is afgebeeld. De nucleus N. trochlearis verdwijnt volkomen aan de gekruiste zijde (Zie fig. 364. 5.) De N. trochlearis kruist in het velum medullare anticum volkomen met dien der andere zijde.

Daarentegen kruisen de wortelvezels van den N. oculomotorius gedeeltelijk. Uit fig. 364 blijkt dat, als de rechter N. oculomotorius is uitgerukt, aan de linkerzijde de cellen in het caudale kerneinde te niet gaan. Dit is tevens het dorsale gedeelte er van (fig. 264. 4. dxx.). Bovendien gaan aan de rechter helft de cellen in de ventrale afdeeling te niet. Zoo blijkt dan uit fig. 364, 1, 2, en 3, dat het proximale einde der kernzuil uitsluitend bestaat uit de niet gekruiste ventrale kern.

In dit deel zijn dan ook aan de rechter zijde alle cellen verdwenen. Weldra echter (fig. 364, 3) voegt zich daarbij de cel-atrophie der dorsale kern der gekruiste zijde, die vooral aan het caudale einde der kernzuil zeer sprekend is.

Dit experiment is de eerste schrede naar het verstaan der kern-groepeering in den nucleus N. III, maar de hier geschilderde verhoudingen gelden uitsluitend voor het konijn.

Over de z.g. bijkernen, groepeeringen van kleine cellen in de substantia grisea centralis naast en nabij de groote kernzuil, laat von Gudden zich niet uit. Toch ontbreken zulke celgroepeeringen bij het konijn allerminst, Men vindt er bijv. constant een celophooping in de middellijn der substantia grisea centralis ter hoogte van de trochlearis-kern. (Zie foto fig. 361.) Deze ophooping ligt ten deele in den ventralen uitlooper der substantia grisea centralis, ten deele dorsaal er van, zoodat die kern den vorm heeft van een waaier of een bloemruiker, waarvan de steel in den ventralen uitlooper is geplaatst, en waarvan de ruiker boven over de nuclei N. IY is heengeslagen. Die kern komt ook bij den mensch voor. (Zie fig. 372.) Toch is het niet waarschijnlijk dat deze kern iets te maken zou hebben met den oorsprong van wortelvezels. Want al loopen er fibrae rectae in, wortel vezels vindt men er niet.

Merkwaardiger is, dat bij het konijn de middellijn, d. w. z. de ventrale uitlooper der substantia grisea centralis over haar geheele lengte tusschen de beide kernzuilen vrij blijft van groote cellen. Het konijn bezit geen mediale oc ulomotorius-kern.

Wel ziet men weer ophoopingen van kleine cellen in de substantia grisea centralis aan het proximale einde der eigenlijke kernzuil. Niet in de middellijn, maar meer lateraalwaarts (zie fig. 359 bij x). In fig. 365 is een snede geteekend (zie fig. 359 lijn 1) proximaal van, maar direct grenzend aan de kernzuil.

Sluiten