Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men ziet daar zijdelings cel-ophoopingen, maar of deze gelijk zijn te stellen met hetgeen men bij menschen onder den naam: kern van WestphalE d i n g e r of kern van Darkschewitsch heeft beschreven, is twijfelachtig. von Gudden onthoudt zich van elke opmerking over het gedrag dezer cel-ophoopingen na uitrukking der oogspierzenuwen; het is dus niet waarschijnlijk, dat zij daarbij veranderd zouden zijn geweest. De meeste schrijvers meenen dan ook, dat bij het konijn geen zoogenaamde bij kernen voorkomen. Zoowel de kern van W e s t p h a 1-E d i n g e r als die van Darkschewitsch zouden er ontbreken.

De onderzoekingen van von Gudden zijn voor het konijn spoedig

Fig. 365.

Frontale snede naar een karmijn-praeparaat van een konijn, proximaal van het begin der hoofdkern van den nucleus N. III.

bevestigd geworden en zelfs uitgebreid door vanGehuchtenen zijn school.

van Biervliet vooral heeft getracht, met behulp van de topographie der cel-tigrolyse, die in de kern zichtbaar wordt na de exstirpatie van bepaalde oogspieren, een localisatie voor de kernen der afzonderlijke oogspieren binnen de kernzuil van het konijn te beproeven. Hij geeft, als resultaat van zijn werk, het schema, dat in fig. 366 is weergegeven. Het moet zoodanig worden gelezen, dat een overlangsche doorsnede der kernzuil de geïsoleerde oogspier-kernen zou treffen op de wijze als zij in het schema zijn aangegeven. Bij het konijn zijn de oogspierkernen nevens elkander geplaatst. Het verst naar voren en vrij ver lateraal liggen de kernen voor de spieren binnen in het oog (m. sphincter iridis en m. ciliaris), gelijkzijdig dus in het voorste 3/5 der kern. Mediaal er van volgt de kern voor den m. rectus inferior, gelijkzijdig in het voorste 4/5 deel der kernzuil. De kern voor den m. rectus internus, eveneens gelijkzijdig, ligt het meest mediaal.

Sluiten