Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vezelbundeltjes, die uit dezen vezeltoevoer worden opgebouwd, staan als soldaten in een rij geschaard, uitgespannen van den eenen naar den anderen fasciculus longitudinalis posterior. Door den wigvormigen uitlooper der formatio grisea centralis ventraalwaarts gedrongen, bezorgt die rij bundeltjes de afscheiding van de raphe tegmenti. Zij zenden voortdurend vezels in de kernzuil, vrij veel in den nucleus N. IV en in het achterste gedeelte van den nucleus N. III, meer nog in de meer proximale afdeelingen der kernzuil. (Fig. 374—377.) Tevens gaan er van die bundeltjes voortdurend fibrae rectae langs de middellijn in de substantia grisea centralis.

De eigenlijke kern van den N. trochlearis ligt dorsaal van — mediaal en vooral lateraal omsloten door — de vezels van den fasciculus longitudinalis posterior. Een krans van wortelvezels omgeeft de kern dorsaal en grenst haar af van de rest der substantia grisea centralis. Aan de laterale kernpool verzamelen zich de wortelvezels tot een worteltje, dat dan in dorso-distale richting verder gaat, op soortgelijke wijze, als dit bij andere zoogdieren het geval is. In den ventralen uitlooper der substantia grisea liggen geen cellen van de trochlearis-kern, maar wel wordt in deze grijze massa een opeenhooping van kleine cellen gevonden, die herinneren aan de waaier-vormige of bloemruiker-vormige kern van kleine cellen, welke ook bij andere dieren (zie fig. 301) worden waargenomen.

Tusschen beide kernen in vindt men in den uitlooper der substantia grisea centralis geen wortelvezels.

Bij den mensch werd door mij steeds een celarme zone tusschen trochlearisen oculomotorius-kern gevonden. Toch schijnt zij soms te ontbreken, als de overgang tusschen beide kernen zeer geleidelijk is. Zij is echter altijd weinig breed. Daarna verschijnt plotseling het caudale einde der oculomotoriilskern en tegelijkertijd ziet men kruisende wortelvezels in de substantia grisea centralis. In fig. 373 is dit afgebeeld (No. 6S3 der serie).

Te dezer plaatse is de ventrale uitlooper der substantia grisea centralis nog meer tot ontwikkeling gekomen, dan ter hoogte van de trochlearis-kern. Voorloopig liggen daarin slechts weinig cellen, die tot het kerngebied behooren. Kruisende wortelvezels uit de 3de kern beginnen reeds. In de substantia grisea centralis zelf is echter plotseling verschenen het caudale einde der kern, die jongere schrijvers de laterale kernzuil van den N. III hebben genoemd, en die dorsaal ligt van en uitloopers zendt tusschen de bundels van den fasciculus longitudinalis posterior.

De ventrale uitlooper der substantia grisea centralis wordt geflankeerd en begrensd door vezelbundels, die men tot den fasciculus longitudinalis posterior rekent, maar die er aan zijn toegevoegd door vezels uit den gekruisten bindarm, roode kern en M e y n e r t's straling.

Men ziet dus een aantal vezels uit de kruising van Meynert in deze bundeltjes overgaan. De vezeltoevoer naar deze bundeltjes kan men bijzonder goed vaststellen tegenover de kern van den N. trochlearis en tegenover het caudale derde der oculomotorius-kern. (Fig. 372 en fig. 373.)

Sluiten