Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Om die redenen zoeken velen in de kern meer een localisatie volgens svnergieën. M o n a k o w bijv. deed dit en van dit gezichtspunt is dan ook, in Deel I fig. 33, het door hem gegeven schema overgenomen, omdat het naar mijne meening het meest nabij komt aan de werkelijkheid. Brouwer neemt tot op zekere hoogte het beginsel van localisatie volgens synergieën over.

In de centrale P e r I i a kern iocaliseert hij de convergentie. Voor de ventro-laterale en medio-dorsale kerngroepen is hij bevangen in een localisatie volgens spieren.

Indien een localisatie in den nucleus N. III beproefd moet worden, dan moet zij, naar mijn meening, op synergieën berusten en 4 groote synergieën omvatten.

Ie. de convergentie met de daarbij behoorende accommodatie en pupilvernauwing.

2e. de zijdelingsche oogbewegingen of de geconjugeerde deviatie.

3e. de dubbelzijdige bewegingen naar omhoog en omlaag.

4e. het openen en sluiten der oogen met het schuilgaan van den oogbol onder het bovenste ooglid.

Voor de eerste dezer synergieën, kan ik de mediaal gelegen kernen laten gelden. In het caudale gedeelte er van mag dan de dubbelzijdige samentrekking der mm. recti interni tot stand komen en meer proximaal is daarvan accommodatie en pupilvernauwing toegevoegd. Deze kern wordt gevonden bij alle dieren, bij welke de gezichtsvelden geheel of gedeeltelijk over elkander liggen. Het konijn mist die kern nog.

Voor de tweede synergie, die voor joover de musculus rectus medialis daarin opgaat, een groot deel van den nucleus N. III bestrijkt, mag in het caudale deel der dorsale celgroepen een tweede focus voor den m. rectus medialis gezocht worden.

Voor de bewegingen op en neer worden in hoofdzaak ook dorsale celgroepen aangewezen. Het verst caudaal (beheerscht door den nucleus N. trochlearis in samenwerking met dien van den m. rectus inferior) wordt de beweging naar beneden verricht. Meer proximaal (beheerscht door den m. rectus superior in samenwerking met den obliquus inferior) de beweging naar beneden.

Eindelijk komen voor het openen en sluiten der oogen, waarbij m. levator palpebrae en m. rectus superior dikwijls op antagonistische wijze samenwerken, de latero-ventraal gelegen kerngroepen in aanmerking, zoodanig dat de m. levator palpebrae meer caudaalwaarts is vertegenwoordigd.

Maar zulk een schema, al schijnt het mij nog het meest in overeenstemming met hetgeen de literatuur ons toelaat te denken, staat nog niet genoegzaam vast. Het leent zich, evenals alle andere schemata, wel om de subjectieve inzichten der onderzoekers te demonstreeren, maar is nog geen verzekerd bezit der anatomie.

Sluiten