Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men moet die onderdeelen leeren kennen in hun levensvoorwaarden, in hun wisselende verhouding tot andere onderdeelen, zooals hen dit voorgeschreven is door het wordende leven, dat voorafging aan het oogenblik, waarop zij zijn geworden gelijk zij zijn.

§ 3. Kringverbindingen en daaraan vastgeschakelde verbindingen.

Uit het voorafgaande volgt, dat het den klinicus niet kan voldoen wanneer het verbindend gedeelte van het centrale zenuwstelsel door anatomische beschrijving wordt opgelost in een aantal onderdeelen, die als organen worden beschouwd.

De strenge localisatie-leer met daaraan gebonden orgaan-functie heeft in het zenuwstelsel slechts betrekkelijke waarde, zij geldt niet op de wijze, die men zich op het einde der vorige eeuw dacht. Centra liggen niet als „Oasen in der Wüste" van het zenuwstelsel.

Wel dwingt ons de historische wording der anatomische nomenclatuur, om bij de indeeling der beschrijving van het verbindend gedeelte in het zenuwstelsel te rekenen met bepaalde namen, die reeds lang als uitgangspunten gebruikt zijn en burgerrecht bezitten. Nooit echter mogen wij die namen gebruiken in dien zin, dat onderdeelen als zelfstandige organen worden opgevat.

Wat zou het den klinicus baten, of hij van eenig onderdeel bijv. van het cerebellum, een nog nauwkeuriger vormbeschrijving, een nog nieuwer nomenclatuurs-vermeerdering kreeg, dan reeds van dit onderdeel door de allerbeste anatomen gegeven is.

Maar wel wordt vormbeschrijving voor hem van belang, zoodra men hem dit onderdeel doet zien in verbinding met de machtige aanvoerwegen, die er uit ruggemerg, medulla oblongata en last not least, uit de kernen der Varols-brug heengaan en in verband met den belangrijken uitvoerweg, die langs den bind-arm naar de roode kern voert.

Dan begint het onmiddellijk een meer levende beteekenis te krijgen.

Die beteekenis wordt nog veel grooter, als men bedenkt, dat met die ruwe verbindingen nog lang niet alles tot uitdrukking is gekomen, wat men hem van dit onderdeel kan meedeelen. Want het eindpunt van den cerebellairen uitvoerweg, de roode kern, zendt allerlei vezels uit. In de eerste plaats vezels, die als centripetale vezels naar diëncephalon en cortex cerebri voeren. De cortex cerebri zendt, zijnerzijds, langs de pedunculi cerebri, cortico-fugale vezels naar de ventrale bruggekern-formatie.

Indien dus het cerebellum door een aantal spinale aanvoerwegen gestempeld wordt tot een belangrijk ontvangstation van impulsen, langs indirecten weg afkomstig uit perifere zintuigsvlakten, dan functioneert het tevens door den bruggearm als een ontvangstation van impulsen uit den cortex cerebri. Maar dan begint tevens de mogelijkheid van chronogen verschillende localisatie in het cerebellum. Het doet zich als een steeds samengestelder wordend geheel voor.

Zoodra de bruggearmen ontwikkeld zijn, ontmoeten wij het als een deel eener machtige kringverbinding.

Sluiten