Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat het onderzoek hij andere families der ge wervelden daaromtrent leerde. Dan moest tevens de vraag naar voren worden gebracht, hoe zich dat alles had ontwikkeld, of men in dat bouw-plan phylogenetisch oudere deelen van jongere kan onderscheiden, m. a. w. of men een oud of palaio-cerebellum tegenover een jonger deel, een neo-cerebellum kon stellen. Dan zouden voor die vraag niet alleen de vergelijkende anatomie, maar ook de embryologie en de klinische waarneming haar gewicht in de schaal komen werpen.

E d i n g e r was de eerste, welke zich die vraag scherp stelde. Hij onderscheidt in het cerebellum een sulcus primarius caudalis, de eerste groeve, evenwijdig aan den recessus, waardoor de nodulus en de formatio floccularis worden afgescheiden en een sulcus primarius frontalis, den sulcus primarius van Bolk. De frontaal en caudaal van deze groeven gelegen stukken, verheugen zich in een betrekkelijke constantie. De tusschen de beide groeven gelegen lob, die door twee fissuren (de fissura post-lunata van E 11 i o t S m i t h, en de fissura secunda) in drie lobjes wordt onderverdeeld is zeer veranderlijk en het allermeest is dit de middelste dezer lobjes (fig. 393. 3). Vooral bij den mensch heeft dit middenstuk ontzaglijke afmetingen verkregen (het omvat den lobulus quadratus posterior, de lobuli lunati en den lobulus biventer), de frontale (lobulus simplex Bolk) en de caudale afdeeling (de tonsilla) blijven veel eenvoudiger.

Van het loslaten der tegenstelling tusschen vermis en hemispheren wil E d i n g e r echter niet weten, want uitbreiding van het vergelijkend onderzoek tot lagere dieren heeft hem geleerd, dat uitsluitend het wormgedeelte van het cerebellum daar aanwezig is.

Op de sagittale doorsnede is bij de hagedis (fig. 393. 1 A), waar het cerebellum door een dwarse lijst in het velum medullare anticum gevormd wordt, slechts een verticaal staande band, bij de schildpad en alligator (fig. 393. 1 B) een boldoorsnede, die bij den krokodil (fig. 393. 1 C) al gegroefd wordt.

Dit is het begin van het oude, het palaio-cerebellum, dat dus in zijn cerebellum-schema (fig. 393. 3)door het midden heen loopt en uit het worm-gedeelte benevens zijn lobus posterior (nodulus en flocculus-formatie) bestaat. Zijdelings daarvan vormt zich het phylogenetisch jongere deel, het neo-cerebellum, dat zich echter geenszins bepaalt tot E d i n g e r's lobus medialis, maar zich ook voortzet in zijn lobus anterior. Op grond van de onderzoekingen van zijn leerling C o m o 11 i beeldt hij het neo-cerebellum bij den mensch af in den vorm, zooals het in fig. 393. 2 zwart is geteekend.

Hem volgde Brouwer, die in het cerebellum der vogels, het voorbeeld ziet van een zeer machtig ontwikkeld palaio-cerebellum, niet of nauwelijks nog beïnvloed door de werking van het pallium van het telencephalon. Brouwer onderscheidt in den vermis cerebelli der vogelhersenen twee fissuren x en y, later door Sven Ingwar met den sulcus primarius en met de fissura secunda gehomologeerd. Het dientengevolge drielobbig middenstuk, bezit twee met de achterlob samenhangende zijlobjes, de pars floccularis. Hebben dus de vogels slechts een nagenoeg uitsluitend palaio-cerebellum,

Sluiten