Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het cerebellum, inderdaad het eerst functionneerende, het phylogenetisch oudste deel is. Maar de wijze van uitbreiding, die slechts zoolang aan de spinale banen kan worden toegeschreven als geen andere merghoudende vezels (tractus ohvo-cerebellaris, pontine banen) het beeld komen verwarren, laat de voorstelling toe, dat van dit oudere deel uit, steeds in aantal afnemend, de vezels zich Jateraalwaarts uitbreiden en over het laterale gedeelte heenschui'ven.

Ib. De gronden ontleend aan de ontwikkeling van den cortex cerebelli.

Groote aandacht is door de verschillende onderzoekers gewijd aan de ontwikkeling der schors van het cerebellum, die zooals in de volgende paragraaf over den fijneren bouw van het cerebellum zal worden beschreven, bij den volwassene gevormd wordt door een oppervlakkig gelegen moleculaire laag, een rij cellen van Purkinje en een granulaire laag. Laatstgenoemde rust op de mergspaak.

Het is nu opmerkelijk, dat de lamina granularis, die bij den volwassene door de lamina molecularis van de oppervlakte is gescheiden, in het foetale leven, gedeeltelijk gevoed wordt door een laag cellen, die aan de oppervlakte zijn gelegen, een lamina granularis superficialis, welke, ten deele althans, geleidelijk naar de diepte verhuist. Sedert Hess deze laag bij de foetale en pas geboren cerebella onder dien naam heeft leeren kennen, heeft Obersteiner en de Weener school, de beteekenis der lamina granularis superficialis voor de ontwikkeling der kleine-hersenschors aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. Gewoonlijk noemt meri die lamina superficialis, de ltorrellaag van Obersteiner, al was hij niet de eerste die haar zag.

De lamina granularis superficialis bestaat nog bij het pas geboren kind. Tegen de 8ste of de 9de maand na de geboorte is zij verdwenen. In pathologische gevallen kan zij langer voortbestaan. Voor een deel mogen de cellen, waaruit zij is opgebouwd zich vervormen en overgaan in de cellen der rand-glialaag van het cerebellum, de meeste embryologen nemen op goede gronden aan, dat zij in den laten foetalen en post-foetalen tijd migreeren naar de diepte en behulpzaam zijn aan den opbouw der lamina granularis.

Zoodra er echter in het foetale leven een differentiatie in de schors van het cerebellum zichtbaar wordt, en dat is ongeveer in de 4de maand, dan vindt men aan de oppervlakte er van altijd deze oppervlakkige cellaag. die een aantal celrijen dik is. De lamina superficialis blijft door een helle, celarme zone (de latere lamina molecularis) gescheiden van de zeer breede dieper gelegen zone.

Deze noemt men lamina granularis secunda. Zij wordt op dit tijdstip gevormd uit cellen van andere herkomst, althans niet alleen uit cellen der lamina superficialis die naar de diepte verhuisd zijn en ondergaat spoedig groote verandering. Tegen het einde der 4de foetale maand richten de kleine cellen dezer diepe laag, de z.g. korrels, zich op bijzondere wijze. In het midden wordt een korrelarme zone daarin zichtbaar. Zoodra dit is geschied, blijkt dan de cerebellaire schors uit vijf lagen te bestaan. Zij zijn: een lamina super-

Sluiten