Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daar is van het gewone structuurbeeld niets overgebleven. Een korrellaag is er niet, evenmin zijn er de cellen van Purkinje. De kleine-hersenstructuur heeft plaats gemaakt voor een glieuse massa, waarin geen onderscheid meer tusschen schors en mergspaak bestaat. Dit deel van de veranderde tonsil is in teekening van fig. 402 zwart gekleurd. De begrenzing van deze, tot volkomen atrophie gedwongen lamellen, scherp tegen die van den flocculus, is niet scherp tegen de minder intensief geatrophiëerde lamellen, waaraan zij lateraal grenzen.

Soortgelijke volkomen lamellen-atrophie vindt men in de lobuli lunati (lobulus ansatus Bol k), welke eveneens in de teekening zwart zijn gekleurd.

Geleidelijk vindt men, dat in de lamellen van den lobulus biventer weer een smalle, langzaam breeder wordende, maar zeer dun met korrels bezette lamina granularis terugkeert. Hier en daar komen ook weer cellen van Purkinje voor den dag, vooral aan de toppen der lamellen.

Sneller wordt in de lamellen der lobuli quadrati de betere structuur bereikt. Daar is de korrellaag beter gevuld, en zijn er meer cellen van Purk i n j e, dan in de lamellen van den lobulus biventer, maar het verschil tusschen rechts en links blijft nog zeer groot. De atrophie is dus wel algemeen, maar ongelijkmatig verdeeld. Ternauwernood aantoonbaar is zij in de lamellen van den flocculus. Volkomen — d. w. z. verlies van alle korrels en cellen van Purkinje — is zij in de lamellae van de tonsilla en van de lobuli lunati.

Minder volkomen is zij in de lamellen van den lobulus biventer en van het daaraan grenzende stuk der tonsilla. Nog minder volkomen is zij in de lobuli quadrati en in de lamellen van den linker worm.

Wanneer dus een bijna volkomen vernieling bestaat van het rechter neopallium, dan volgde daarop in dit geval een volkomen atrophie van het, aan den flocculus grenzend gedeelte der tonsilla en der lobuli lunati. De andere gedeelten zijn slechts onvolkomen, maar toch intensief geatrophiëerd, en de flocculus nagenoeg in het geheel niet.

Men moet in dit geval rekening houden met het feit, dat een deel van den lobus frontalis met de fronto-pontine bundels door de encephalitis ongedeerd is gebleven. Het is mogelijk, dat ware ook dit deel vernield geworden, de omvang der totale lamellen-atrophie (in de richting van den lobulus biventer?) nog uitgebreider zou zijn geweest.

Dit doet echter niets af tot het belang van dergelijke vondsten. Het pleit voor de meening, dat een deel van het jonge cerebellum geplaatst is tusschen het oude cerebellum in. Het is daarin ongelijkmatig verdeeld, zeer ongelijkmatig zelfs, maar het ontbreekt niet in gedeelten van zoo ouden datum als de worm is.

Zoowel in het door volkomen verlies der cortex-elementen gekenmerkte gedeelte, als tonsilla en lobuli lunati — wier schors-ontwikkeling en mergscheede-vorming wijzen op phylogenetisch jongsten oorsprong — als in de minder intensieve verandering van den cortex cerebelli in de middenafdeelingen, als eindelijkin de betrekkelijk geringe verandering der schors van den worm, vindt men

Sluiten