Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de flocculus beiderzijds buiten elke atrophie te blijven. In de tweede plaats is de worm, in al zijn samenstellende deelen van caudaal tot proximaal weinig door de atrophie bezocht. In de derde plaats neemt de atrophie, hoe meer men proximaal-waarts komt, zeer in intensiteit af, zoodat het meest orale einde van den lobus anticus weinig veranderd schijnt.

Indien deze halfzijdige atrophie inderdaad het neo-cerebellum alleen vernield heeft, dan kwamen voor het neo-cerebellum de lobuli ansati en paramediani, met zijdelingsche stukken van den lobulus simplex en van den lobus anticus in aanmerking. Het orale stuk van den lobus anticus, de geheele worm en de formatio vermicularis (de lobus posticus van Edinger) behoorde tot het palaio-cerebellum.

Daarmee is een eerste schrede gedaan om ook in de kliniek de beteekenis van het onderscheid tusschen jong- en oud-cerebellum te doen doordringen.

Toch geloof ik, dat men in die richting nog iets verder kan komen en

dat voor dit doel gevallen van anderen aard niet minder belangrijk zijn. Ik

meen de gevallen van verkregen, dubbelzijdige olivo-pontine cerebellaire atrophie.

Om dit duidelijk te doen uitkomen is het noodzakelijk een oogenblik stil te staan bij de ontogenese der onderste olijfkern-groep, der nuclei arcuati en der kernen van de ventrale pons-formatie, kernen, wier celverlies constant bij deze vormen van cerebellaire atrophie wordt aangetroffen.

E s s i c k's onderzoekingen hebben bewezen, dat in de streek van de dorsale octavus-kern, de cel-nieuwvorming spoedig zeer groot wordt en dat zij niet langer te dier plaatse blijven. Beiderzijds vormen zich celbanden langs de laterale oppervlakte van den hersenstam, waaruit de onderste olijfkernen, de nuclei arcuati en de kernen der ventrale pons-formatie zich vormen.

Bij het foetus van 23 m.M. schuiven zich deze celbanden aan de laterale oppervlakte van medulla oblongata en Varols-brug naar voren.

E s s i c k onderscheidt er twee en teekent ze af op het wasmodel, dat hij uit de serie van dit foetus heeft gereconstrueerd. Het is in fig. 382 weergegeven (zie fig. 404).

De eerste, de oudere, caudale celband, loopt als een breede band rondom den la teralen wand der medulla oblongata heen. Deze band vormt olijfkernen en nuclei arcuati. Bij het foetus van 30 m.M. is hij aan het einde der tweede foetale maand in volle ontwikkeling. Maar toch is bij den mensch dan al door intra-medullaire migratie van dezelfde plaats uit, de vorming der laterale kernen en der olijfkernen begonnen. Bij het foetus van 20 m.M. draagt deze oppervlakkige laag het leeuwenaandeel bij tot de vorming der olijven. De oppervlakkige cellen gaan langs de vagus-worteltjes naar binnen. In dit jonger stadium, aldus E s s i c k's meening, vormt de caudale band de olijven, terwijl in een later stadium uit dit cellenmateriaal uitsluitend de nuclei arcuati ontstaan.

Lit den proximalen band, E s s i c k's corpus ponto-bulbare, komen de pons-kernen voort. Deze band gaat tusschen den oorsprong van de 7de en 8ste hersenzenuw langs de oppervlakte naar voren en het is voor ons

Sluiten