Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor den lobus posterior geldt hetzelfde. Het is mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat de jongst gevormde stelsels, de pontine stelsels, in de allereerste plaats beslag leggen op de lobnli ansiformes en al groeien zij mediaalwaarts uit, toch die lobben voor het allergrootste deel bestemd zijn voor de uitbreidingsvelden dezer banen. Dan echter is het samenvallen van het neo-cerebellum daar ter plaatse met het schema van Bolk niet toevallig, omdat juist het unilaterale bewegings-mechanisme der extremiteiten de functie kan zijn, die als phylogenetisch zeer jonge functie optrad. De tegenstelling palaio- en neo-cerebellum brengt niet hetzelfde in een schema, als datgene, wat uitdrukking vindt in een schema, ontleend aan de met functie verbonden vormverschillen in de ontwikkeling van het cerebellum.

In de voorafgaande bladzijden werd uiteengezet, hoe de schors-ontwikkeling, merg-ontwikkeling en de pathologische anatomie elkander wederkeerig steunen in het feiten-materiaal.

Als een oudste gedeelte, bij het menschelijk cerebellum in ontwikkeling zeer teruggebleven, caudaal van E d i n g e r's fissura posterior gelegen deel, doet zich de formatio vermicularis, de flocculus en para-flocculus voor. Reeds bij het foetus van 23 c.M. zijn de daarheen voerende, uit beide, dorsale en ventrale octavus-kernen afkomstige, vezelbundels merghoudend. Om die reden hebben zij vermoedelijk veel uit te staan met het oudste gedeelte van het evenwichts-behoud van kop tot romp en wordt de beteekenis er van voor staart-dragende dieren begrijpelijk. Maar dit deel van het cerebellum, dat zich in pathologische gevallen zoo geheel anders gedraagt dan de rest, heeft een afzonderlijke beteekenis verkregen.

Wat het overige gedeelte aangaat, zoo is het zeer waarschijnlijk, dat daar een localisatie voor de efferente systemen bestaat. Maar voor de afferente systemen geldt stellig niet diezelfde localisatie. Eerst door de samenwerking der drie groote afferente stelsels, wordt bij den mensch de adjustatie voor de cellen van P u r k i n j e en de uitvoerende wegen gegeven.

Voordat wij deze verder kunnen bestudeeren, is het noodig den fijneren bouw van het cerebellum met de toeleidende en afvoerende wegen meer nauwkeurig te onderzoeken.

§ 3. De mikroskopisclie anatomie der kleine-hersenen. De fijnere bouw der cerebellum-schors. De daarin aanwezige cellen. De vezelstructiiur van schors en mergspaken. De daarin aanwezige glia-cellen.

In de vorige paragraaf is stilzwijgend aangenomen, dat met behulp van het cerebellum, een samenvoeging tot stand wordt gebracht van meerendeels tonische reflexen. Tusschen de onderlinge instellingen van kop. romp, extremiteiten en onderdeelen er van, die reeds elders in het zenuwstelsel precies geregeld zijn, is een bepaalde hoogere correlatie noodzakelijk.

Zij behoort de verwezenlijking te brengen eener algemeene toniciteit, als een grondslag, zonder welken, kortdurende, snel veranderhjke, zeer nauw-

Sluiten