Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verlies elders en het kan in zijn functie door mesencephalon, striatum en hersenschors tot op zekere hoogte gecompenseerd worden.

Voordat de histologische éénheden in het cerebellum hun juiste beteekenis hebben verkregen, kon er geen sprake zijn van een begrijpen der functie van het cerebellum.

Maar de mikroskopische anatomie en de histologie vinden in de ontwarring van den cerebellairen bouw een harer moeilijkste problemen. Van daar dat het zoolang heeft geduurd, voor dat men eenig inzicht in aard en omvang der kleine-hersen-functie heeft verkregen en dat dit inzicht nog zoo gebrekkig is.

Wanneer men uitgaat van de beschrijving der cerebellum-schors zooals men haar te zien krijgt, wanneer men een lamel evenwijdig aan de mergspaak, de columna medullaris, heeft doorgesneden, dan is een kleine vergrooting eener ongekleurde, doorzichtig gemaakte snede reeds in staat om ons het typische beeld, dat overal in de kleine-hersenen weerkeert, te leeren kennen.

De mergspaak is gebed in en omgeven door een dichte laag van kleine cellen, die men om haar kleinheid met den naam van korrels of granula bestempelt. Met elkander vormen zij de ondoorzichtige lamina granularis of korrellaag. Slechts op enkele plaatsen is de mergspaak aan één zijde door de korrellaag omgeven, en kan dan ten deele vrij aan de oppervlakte liggen.

De korrellaag bestaat uit kleine cellen, die de eenvoudige kleuringen met karmijn of haematoxyline gretig aannemen. Zoo behandeld, blijken zij reeds niet alle dezelfde beteekenis te hebben. Later wordt er op teruggekomen, dat met die eenvoudige kleuring (verg. fig. 422) twee onderscheiden vormen van zenuwcellen (dwerg-cellen en G o 1 g i-cellen) te herkennen zijn en dat tusschen hen minder intensief zich kleurende vlekjes voorkomen, welke men, omdat zij daarentegen eosine zeer begeerig tot zich trekken, den naam geeft vau de eosinophiele glomeruli van Held.

Naar buiten wordt de korrellaag omgeven door een in het ongekleurde praeparaat zeer doorzichtige laag, welke men de lamina molecularis, lamina plexiformis of moleculaire laag noemt.

De doorzichtigheid dankt deze laag aan haar betrekkelijke armoede aan cellen. Toch vindt men er. Dicht bij de oppervlakte zijn zij vrij talrijk, in het midden zijn zij weinig in aantal en zij vermeerderen weer naarmate men de korrellaag nadert.

Op de grens van korrellaag en moleculaire laag vindt men één enkele rij, zeer groote zenuwcellen, de cellen van P u r k i n j e.

Zij doen zich bij kleine vergrooting voor als bolvormige, spoelvormige of fleschvormige cellen, die naar de moleculaire laag toe, zoolang men ze in eenvoudige karmijn- of N i s s 1-praeparaten beziet, meestal twee, soms drie zij vertakkingen bezitten. Deze ééncellige laag is de cellaag, de lamina cellularis of de lamina ganglionaris.

De aangrenzende korrellaag is in de onmiddellijke nabijheid der cellen van P u r k i n j e minder dicht gevuld dan elders. Dit hangt samen, deels met de ontwikkelings-geschiedenis dezer cellen, deels met de vezel-structuur

Sluiten