Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bovensten kleine-hersensteel of het brachium conjunctivum verder gaan.

De bovenste kleine-hersensteel zou dus alle uitvoerende cerebellaire banen bevatten.

De aanvoerende wegen voor het cerebellum stammen vooreerst uit den ondersten kleine-hersensteel , het corpus restiforme. Zij zijn ten deele de oude spinale en vestibularis-wegen en ten deele de vezels uit de olijven en de zijstrengkernen der medulla oblongata (Deel I p. 354, fig. 165.).

In de tweede plaats gaan centripetale wegen langs den middelsten kleinehersensteel, het brachium pontis. Deze zijn afkomstig uit de nuclei pontis (Deel II, p. 382, fig. 339.).

Aldus in ruwe omtrekken het mikroskopisch bouw-schema van het cerebellum, waarmee men voor het begrijpen der functie er van zal moeten rekenen. Maar in dien ruwen omtrek zullen nu de histologische détails van de verschillende elementen, die het samenstellen, moeten worden ondergebracht. Wij beginnen dus met de beschrijving der cellen.

a. De cellen van Purkinje, pericellulaire en intra-granulaire vezels, korfcellen, klimvezels, mosvezels, dwergcellen.

In de cel van Purkinje ligt, zooals terecht door Jelgersma naar den voorgrond is gebracht, het zwaartepunt der cerebellaire functie.

In het N i s s 1-praeparaat ontmoet men deze cellen als afgeronde pyramiden van fleschvorm, bes vorm of spoelvorm, die 50—70 /<. in lengtediameter groot zijn (fig. 414 A).

Den omvang der naar de lamina plexiformis gerichte dendrieten, die in het N i s s 1-praeparaat slechts over korte uitgestrektheid worden gekleurd, kan men daaruit alleen niet beoordeelen. Evenmin is dit mogelijk uit karmijnof haematoxyline-praeparaten. De ascylinder der cel van Purkinje verlaat het cellichaam aan de tegenover de dendrieten gelegen pool, doorboort de lamina granularis en wendt zich direct naar de mergspaak.

In het cellichaam vindt men een groote dubbel gecontoureerde kern (fig. 414 A 2), voorzien van een kernlichaampje (fig. 414 A 3). In het protoplasma der cel bestaat het tigroied uit groote chromatophiele klompen, (fig. 414 A 6), die min of meer concentrisch zijn geplaatst en zich rondom de kern tot een massieve kernkap ophoopen. Deze Niss 1-lichaampjes zetten zich een eindweegs in den dendriet voort, maar niet verder dan tot aan de eerste onderverdeeling. In de hoofdstammen der zij-dendrieten treft men ze niet meer aan (fig. 414 A 5). Evenmin vindt men ze in den krachtigen ascylinder-heuvel, die aan de celpool tegengesteld aan den oorsprong der dendrieten te zien is (fig. 414 A 4).

Ook al moet men toegeven, dat er zeer groote verschillen in bouw bestaan tusschen de groote wortelcellen in het ruggemerg en de cellen van Purkinj e, toch is er genoegzaam overeenkomst tusschen beide in het Niss 1-beeld, om het recht te ontleenen aan de gewoonte, dat men de cellen van Purkinje rekent onder de cellen van het motorische type.

Sluiten