Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door welke de lamina molecularis met een netwerk van fijne merglooze vezels wordt opgevuld.

In praeparaten volgens G o 1 g i's methode ziet men hen als cellen (fig. 417), die lange divergeerende dendrieten bezitten, welke zich vooral naar de oppervlakte wenden. De dendrieten, welke naar de korrellaag zijn gericht, zijn klein en onbeduidend. De axon (fig. 417a) blijft in de plexiforme laag. Volgens G o 1 g i's nomenclatuur zijn zij dus cellen van de tweede orde. Hare beteekenis is niet bekend.

2. de cellulae stellatae internae, de groote stercellen of kortweg de korfcellen. Zij hebben veel grootere belangstelling gewekt dan de kleine. Men vindt hen alleen in de diepe lagen der lamina molecularis als de grootste onder de kleine zenuwcellen.

In het N i s s 1-praeparaat (fig. 414 B) doen zij zich voor als 10—20 u groote, veelhoekige cellen met weinig protoplasma en een groote, door een chromatophiele kernkap omringde, elliptische celkern met kernlichaampje.

Ook van deze cellen overziet men eerst met G o 1 g i's methode den eigenaardigen vorm, waaraan zij haren naam „korf-cellen" te danken hebben. Van het veelhoekig cellichaam gaan in alle richtingen dendrieten uit. Zij, die naar de korrellaag toe gericht zijn, zijn klein. Daarentegen zijn de ascendeerende dendrieten, die zij in groot aantal bezitten, lang. Somwijlen, als een dendriet evenwijdig aan de korrellaag wordt afgegeven, buigt zij snel om en wordt tot een ascendeerende dendriet (fig. 418 1).

Belangrijk vooral is de axon dezer cellen. Hij loopt parallel aan de grenslijn der korrellaag. is vrij lang en op regelmatige afstanden, onder rechte hoeken, geeft hij collateralen af in de richting der cellen van P u r k i n j e.

In de nabijheid dezer cellen lossen de collateralen zich op in eindvertakkingen van eigenaardigen vorm. De vier of vijf takjes, waarin zij uiteenvallen, buigen zich rondom het cellichaam der cel van P u r k i n j e heen en omvatten het celplasma als in een korfje. Elk der eindtakjes verdeelt zich in een aantal zeer fijne uitloopertjes, wier laatste dichotomische parige eindtakjes zich naar elkaar toebuigen, alsof twee branches van een pincet aan elkander sluiten en aan hun einde afgeknot zijn. Dit geheel schijnt de cel van P u r k i n j e als een korf te omvatten. De eigenaardige vorm der eindvertakking heeft aan de cel den naam van korf-cel gegeven.

Men ziet die korf-cellen zeer fraai in praeparaten volgens Bielschowsky (fig. 419) of in praeparaten volgens G o 1 g i-C o x (fig. 418). Het schijnt alsof de afgeknotte einden worden gevormd door fijne, in elkander terugbuigende fibrillen, zoodat dit einde er dikwijls uitziet als een oogje in de verdikte branche van het pincet.

De korf-cellen liggen in openingen van de dendrieten-velden der cellen van P u r k i n j e (fig. 415). Hare axonen loopen in de ruimte tusschen twee dendrie ten-velden. Zij verbinden dan 4—10 cellen van P u r k i n j e. Maar de cellen van Purkinj e, die zij van hun korfjes voorzien, maken deel uit van éénzelfde complex uit één dendrie ten-veld. De axonen der korf-cellen

Sluiten