Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgens G o 1 g i-C o x (fig. 419. 4) kan men dit waarnemen. Zoolang zij echter tusschen de tangentiale vezels loopen, zijn zij nog merghoudend. Zij verliezen het merg, zoodra zij de cel van P u r k i n j e bereiken. De collateralen uit de axonen der dwerg-cellen (fig. 419, 3, 36, 3c), die, wanneer zij niet ver in de lamina molecularis doordringen, ook wel in het gebied der supraganglionaire tangentiale ve¬

zels worden aangetroffen, zijn altijd mergloos.

Dat de klimvezels haar merg nog als tangentiale vezels blijven bezitten, kan men op eigenaardige wijze vaststellen. Tegelijkertijd kan men daarmee het bewijs leveren, dat de klimvezels en niet de mosvezels uit de spino-cerebellaire banen afkomstig zijn. Bij lijders met secundaire degeneratie der spinale kleine-hersenbanen, gaan namelijk de klimvezels en daarmee een deel der tangentiale vezels te gronde.

Aldus is fig. 421 ontstaan. Bij een man, die nog 6 weken geleefd heeft na een totale ruggemergsvernieling tusschen het 4e en

5e halssegment, is door M a r c h i's methode vastgesteld, dat beide spino-

cerebellaire bundels ontaard zijn. De loop der gedegenereerde vezels in het cerebellaire merg kon aldus worden aangetoond. Het blijkt daar, dat men in het merg een waaiervormige uitbreiding der vezelontaarding vindt, die zeer dicht is in de middellijn en die zich, steeds geringer wordend, lateraal voortzet tot aan de lobuli ansati toe, soortgelijk aan de verspreidingswijze, die te voren bij de myelinisatie der oudste aanvoerende vezels beschreven werd (zie vorige § p. 144.).

Opmerkenswaardig echter is in dit geval het einde der ontaarde merghoudende vezels in den cortex cerebelli.

Nergens, noch in den worm, noch in de hemispheren vindt men in de lamina granularis of in den intra-granulairen plexus, ontaardings-producten. Zij blijven in hoofdzaak vrij van degeneratie.

Fig. 420.

Schema der eind-arborisaties, waarmede de klimvezels de oei van P u r k i n j e omsluiten zooals het door Ramon y Cajal gegeven is.

WINKLER III.

13

Sluiten