Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wel kan men, vooral in den worm, en daar sterker dan in de zijdelings geplaatste lobuli, uit de gedegenereerde mergspaak (fig. 421 A rad. med) enkele radiale vezels, die dwars door de korrellaag heengaan met March i-korrels geteekend vinden. Als gevolg daarvan vindt men ook een aantal der tangentiale vezels in den peri-ganglionairen plexus met fijne March i-korrels bezet (fig. 421. A. 1. cell.). Dientengevolge steekt de met degeneratie-producten bezaaide lamina cellularis scherp af tegen de lamina granularis, die er vrij van blijft.

Toch blijkt uit het contröle-praeparaat volgens Weigert (fig. 421. B), dat een vergelijkbare lamella van den worm zeer rijk aan intra-granulaire plexus is. Tegelijkertijd blijkt ook daaruit, dat een groot aantal tangentiale vezels, afkomstig uit axonen van cellen van Purkinjeof korf-cellen onveranderd zijn. De ontaarding der tangentiale vezels is slechts gedeeltelijk en voor zoover zij van klimvezels afstammen. De mergspaak is sterk, maar geenszins volkomen ontaard. De ontaarding der vezels in de spaken neemt af, naarmate men de zijdelingsche lobuli afzoekt, maar wordt ver lateraal-waarts gevonden.

Daarentegen ontbreken die degeneratie-producten in de lamellen der schors van den flocculus, ofschoon men zich daar (vergelijk fig. 412) juist heeft kunnen overtuigen hoezeer daar het aantal der klimvezels, die in de tangentiale vezels overgaan, groot is. Maar dit behoeft geen verwondering te wekken, omdat de daar aangetroffen klimvezels niet uit spino-cerebellaire banen afkomstig zijn, maar uit vezels, welke door de kernen van den N. octavus en van den N. trigeminus geleverd worden.

Door de klimvezels wordt de oudste en meest directe synaps met de cellen van P u r k i n j e gevormd. Vandaar dat deze verbindingswijze wel het meest gemakkelijk wordt aangetoond in de lamellen van den flocculus of van den vermis cerebelli, maar in de laterale gedeelten niet geheel ontbreekt.

Ook Jelgersma heeft op gronden, ontleend aan de ervaring der pathologische anatomie, verdedigd dat de klimvezels van spino-cerebellaire banen afkomstig en dus palaio-cerebellaire aanvoerwegen zijn. Deze meening, welke in tegenstelling komt met die van C a j a 1, die de klimvezels uit pontine aanvoerwegen afleidt, wordt hier eveneens aangenomen.

Geheel anders gedragen zicli de andere, uit de mergspaak ontsprongen en in de lamina granularis blijvende vezels, de z.g. mosvezels of fibrae hirsutae.

Nadat zij in allerlei bochten gekronkeld, nog merghoudend tusschen de korrels doorloopen, zenden zij collateralen uit, die zich eveneens kronkelen. De nog merghoudende aanvangsstukken dezer mos vezels zijn het, die in het W e i g e r t-praeparaat zich voordoen, als in alle richtingen getroffen brokstukken van vezels en die onder den verzamelnaam van plexus intra-granularis zijn beschreven. Kort voordat zij in hare wandstandige of eindstandige eindvertakkingen overgaan, verliezen zij haar merg. In het G o 1 g i-praeparaat (vergelijk fig. 418. 2) doen zich de eind-arborisaties voor als kleine rosetten met uithollingen en verdikte randen, die inderdaad een oppervlakkige gelijkenis met mosplantjes vertoonen. In de uithollingen liggen dan eindboompjes

Sluiten