Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar ook het te niet gaan van alle cellen in de kernen der ventrale bruggeafdeeling.

Thans echter zullen de bijzonderheden dezer toeleidende banen de aandacht vragen en bepaaldelijk zullen zij in menschelijke hersenen nauwkeurig beschreven moeten worden.

Ware de strekking van dit boek uitsluitend op anatomisch gebied te zoeken, dan zou uit de straks genoemde grondslagen volgen, dat deze paragraaf in twee onderdeelen uiteenviel en wel le in de beschrijving der structuur van het corpus restiforme en 2e in de beschrijving der structuur van het brachium pontis.

Wil men echter, voor klinische behoeften, ook rekening houden met de functie van het cerebellum, dan zal men daarmee niet kunnen volstaan. Men moet verder splitsen, omdat in het corpus restiforme stelsels van functioneel verschillenden aard bijeenliggen.

Het is daarom verstandiger de beschrijving der toevoerende banen niet uitsluitend te verbinden aan de makroskopisch zichtbare stelen der kleine-hersenen. maar liever te richten naar de stelsels, die op grond van klinische, embryologische, vergelijkend anatomische en pathologische gegevens bijeenbehooren. Er worden verschillende cerebello-petale banen onderscheiden:

I. In de eerste plaats zijn er cerebello-petale vezelstelsels, die uit de kernen der zenuwen van het sensu-motorische, gesegmenteerde orgaan, direct naar de kleine-hersenen gaan.

Zij zijn van verschillend karakter.

le. De spino-cerebellaire wegen, van welke wij er twee onderscheiden:

A. de tractus cerebellaris dorsalis, die aan de gelijkzijdige zuil van C 1 a r k e in het ruggemerg zijn vezels ontleend (Deel I, p. 222, fig. 120.);

B. de tractus cerebellaris ventralis, die zijn vezels ontvangt uit de gekruiste strengcellen van den achterhoorn. Dat deze baan (Deel I, p. 226, fig. 122) in het geheel niet in het corpus restiforme komt, doet voorloopig weinig ter zake.

2e. De v e s t i b u 1 o-cerebellaire wegen, die uit den nucleus ventralis en uit den nucleus triangularis N. VIII direct naar het cerebellum of naar de daarin gelegen kernen gaan.

II. In de tweede plaats zijn er cerebello-petale vezels, die niet direct afkomstig zijn uit kernen van afferente wortels.

Deze vezels ontspringen uit kernen, die vroeger (Deel I, p. 334 en volgende) werden beschreven als „nieuwe" organen in de medulla oblongata. De kerngroep der oliva inferior, de kern der zijstreng en de nucleus arcuatus behooren er toe.

Men kent eenigszins den oorsprong dezer kerngroepen. Zij ontstaan als celproducten uit het dorso-laterale deel der vleugelplaat van H i s. daar, waar de dorsale octavus-kern wordt aangelegd. Daar ter plaatse heeft een machtige productie van cellen plaats gevonden en de nieuwgevormde celmassa's verplaatsen zich.

Sluiten