Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mes, Grainger Stewart). Er is een gerechtvaardigd vermoeden, dat die loealiseerbare verbindingen uit verschillende, elkander opvolgende stelsels bestaan. Het middenstuk der hoofdkern zou aldus beantwoorden aan een ander deel der cerebellum-schors dan de zijstukken.

De olivo-cerebellaire straling zou aldus worden opgebouwd uit elkander opvolgende stralingen (Brouwer).

Brouwer stelt de afhankelijkheid der olijven van de hersenschors vast, volgens het beginsel, dat een deel der olijven bij de neo cerebellaire atrophie te gronde gaat, d. w. z. cellen en vezels verliest en een ander deel niet. Hij geeft een schema aan. dat in fig. 441 hier is overgenomen. Daarin is door de zwarte kleur aangegeven, welke gedeelten der hoofdkern, op verschillende hoogten van het neo-cerebellum, in hoofdzaak laterale cerebellum-gedeelten, afhangen. De meest proximale gedeelten en een deel der oraal gelegen mediale af deelingen zouden van het palaio-cerebellum, in hoofdzaak dus van den worm afhangen, evenals de bijkernen het doen.

Brouwer steunt deze opvatting verder door zijn ervaringen in verband te brengen met de volgorde, waarin myelinisatie der olivo-cerebellaire wegen plaats vindt. In den menschelijken foetus van 42 c.M. zijn nog alleen de proximo-mediale af deelingen der ohjf kernen en de meest mediale fibrae arcuatae externae met merg omhuld. Ook het myelinisatie-proces schrijdt van proximomediale richting in latero-distale richting voort. De olivo-cerebellaire straling laat derhalve een verdere differentiatie in verschillende bundels toe.

Resumeeren wij ten slotte de opeenvolging, volgens welke zich de afferente cerebellaire wegen ontwikkelen, die wij tot nu toe hebben leeren kennen, dan doet zij zich als volgt voor:

Eerst verschijnt de vestibulaire straling naar den flocculus.

Dan volgt de myelo-cerebellaire straling naar een bepaald wormgedeelte en wel:

a. de dorsale spino-cerebellaire straling, wier mergontwikkeling in de diepte der fissura prima en de capitaal er van gelegen sleuven begint, zich dan voortzet op het middenstuk van lobus anterior en lobulus simplex lobi posterioris en van daar zich over de zijstukken van den lobus anterior uitbreidt.

b. de ventrale spino-cerebellaire straling, wier mergontwikkeling aanvangt onder de schors in de diepte der fissura secunda en prae-pvramidalis, voortschrijdt over het middenstuk van den lobulus medianus lpbi posterioris, om zich van daaruit eveneens zijdelings uit te breiden.

Vervolgens rijpen de olivo-cerebellaire en tegmento-cerebellaire stralingen. Zij sluiten zich lateraal aan de spino-cerebellaire instraling aan plaatsen zich in het cerebellaire merg tusschen deze en den brugge-arm in (fig. 435 en fig. 436).

Eindelijk; later, wanneer de rijping van den gezamenlijken bulbo-cerebellairen vezelaanvoer reeds ver is voortgeschreden, volgt de rijping der pontine straling en sluit zich, als de meest lateraal geplaatste vezelmassa in het cerebellaire merg aan de oudere stelsels.

De eerste instralings-zone van den bulbo-cerebellairen vezelaanvoer

Sluiten