Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noodzakelijk voor het tot standkomen eener uit hun samenwerking geboren hoogere beweging.

In alles, wat men in het woord dys-synergie samenvat speelt de factor tijd een rol. Wanneer een persoon, wiens romp achterover wordt gebogen, niet onmiddellijk daaraanvolgend ook de knieën buigt, zal hij vallen.

Bij alle voorbeelden van dys-synergie doet zich het feit gelden, dat in een bepaald tijdsdeel niet datgene, wat gebeuren moet, in de juiste volgorde gebeurt.

Hetzelfde geldt van de z.g. rebound-phenomena van Grainger S t e w a r t. Wordt bij eenig persoon een extremiteiten-beweging door een weerstand tegengehouden, dan zal hij, bij opheffing van dien weerstand, met de extremiteit in de richting der beweging doorslaan. Hij zal dat niet, als hij, gelijk een normaal persoon dat vermag, in staat is, om snel, ja onmiddellijk na het ophouden van den weerstand, de noodige antagonisten-instelling langs reflectorischen weg te hulp te roepen. Die instelling komt bij den cerebellum-lijder te laat.

Hier, zoowel als bij de z.g. dysmetrie, eigenlijk slechts een onderdeel der rebound-verschijnselen, is een in tijd voldoende successie der reflexen verloren gegaan.

Met de verschijnselen, die men in het woord dys-dia-doko-kinesis samenvat, is het niet anders. De reflectorische mechanismen bestaan, maar zij volgen elkander niet snel genoeg meer op.

In hoever de studie der uitvoerwegen uit het cerebellum nog iets zal kunnen bijdragen tot het begrijpen der cerebellum-functie, zal aan het slot der volgende paragraaf besproken worden.

§ 5. De uitvoerwegen uit het cerebellum. a. De oorsprong van het brachium conjunctivum.

Tegenover de geweldige vezelmassa's, die door de middelste en onderste kleine hersenstelen, naar het cerebellum gaan, staat een, relatief gesproken, veel kleiner aantal vezels, welke hun weg vinden langs den bovensten kleinehersen-steel en in cerebello-fugale richting geleiden.

Vroeger (Deel II, pag. 308, fig. 314) werd de beteekenis der mediale cerebellum-kernen en van den daaruit ontsprongen haakbundel of tractus uncinatus besproken.

Met verwijzing daarheen, zij er hier aan herinnerd, dat de cerebello-fugale tractus uncinatus, zoowel als de cerebello-petale tractus spino-cerebellaris ventralis tijdelijk deel uitmaken van den makroscopisch zichtbaren bovensten kleine-hersensteel. In sommige doorsneden vormen zij een scherp omschreven af deeling op den dorsalen rand er van gelegen.

Thans echter, bij de meer gedetailleerde behandeling van het brachium conjunctivum cerebelli heeft het geen zin deze afdeeling er van nogmaals te behandelen. Slechts voor zoover zij invloed hebben op den eigenlijken bind-arm, zal er nog over gesproken worden.

Sluiten