Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebied van den tractus spino-cerebellaris ventralis, eenige merghoudende vezels dwars door den tractus uncinatus heengaan en een bepaalde plaats in den bind-arm innemen (fig. 494. b). Aldus kan men in het merglooze bind-arm-veld, twee plekken aanwijzen (fig. 494 A a en b) waar weldra merghoudende vezels verschijnen.

In meer proximale sneden (fig. 494 B) neemt het aantal merghoudende vezels in den bind-arm steeds toe, hoewel de vezels uit den nucleus dentatus mergloos zijn (fig. 494 B c). De machtige straling uit den binnenstee!, de groep vezels, die als a in fig. 494 A werd onderscheiden, heeft zich een plaats veroverd in het dorsale deer van het halvemaan-vormige veld (fig. 494. B, a), maar inmiddels stroomen in de ventrale pool steeds nieuwe vezels (fig. 494. B, a-c), hier uit binnensteel en tractus spinalis N. V, toe. Ook de groep vezels, die in fig. 494 A het veld b vormden, is dichter geworden, daar er een vrij groote toevloed van merghoudende vezels uit den tractus uncinatus aan wordt toegevoegd (fig. 494. B, b).

De stroom merghoudende vezels, die in de ventrale pool het bind-armveld binnentreden, houdt intusschen aan. In fig. 494 C, waar men uit den lemniscus lateralis (fig. 494 C le. lat.) veel merghoudende vezels op den bind-arm ziet toetreden, is het aantal merghoudende vezels van het halvemaanvormige veld niet onbelangrijk te noemen. De bind-arm ligt hier tusschen de twee eigen kernen, de op dit oogenblik aanwezige merghoudende vezels zijn de oudste samenstellende bundels er van, maar hangen niet van de laterale cerebellaire kernen af.

Men kan de niet cerebellaire componenten van den bind-arm nog fraaier leeren begrijpen door het onderzoek van zijn mergontwikkeling bij het mensclielijk foetus van 46 cM. Daar is de myelinisatie rondom en in de laterale kernen der kleine-hersenen nauwelijks begonnen. Zooals in fig. 495 en in fig. 496 is afgebeeld, heeft zij intusschen zeer groote vorderingen gemaakt.

lig. 495. 1 gaat door het proximale derde gedeelte van den nucleus dentatus. Men ziet een begin van myelinisatie rondom deze kern, meer in het vlies dan in den hilus, dorso-mediaal sterker dan latero-ventraal. In meer distale gedeelten dezer kern is er ook op dit tijdstip nog in het geheel geen myelinisatie. In meer proximale sneden neemt zij in de mediale en dorsale afdeelingen van het vlies en hilus sterk toe (fig. 495. 1 en 2). Op dit tijdstip is het grootste deel van den hilus nog zonder merg en het daaruit ontsprongen deel van den bind-arm (fig. 495. 1 en 2 bij d) mist het evenzeer. Het nog merglooze deel van den bind-arm is uit den nucleus dentatus afkomstig.

Op den overgang van den nucleus dentatus en nucleus emboliformis ontmoet men de eerste, nog maar zwak van merg voorziene instraling (495. 1 en 2 bij c) in het veld van den bind-arm.

Meer mediaal-waarts volgt dan tusschen den nucleus emboliformis en den nucleus globosus een derde merghoudende bundel (fig. 495 1 bij b), die samenhangt met het gerayeliniseerde veld van den tractus spino-cerebellaris ventralis. \ ervolgens komt dan de zeer krachtige, meest mediaal geplaatste,

Sluiten