Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

le. Vezels, gelegen in de dorsale afdeeling van het halvemaan-vormige bindarm-veld, afkomstig uit den nucleus globosus en fastigii en daarheen geleid langs den tractus uncinatus (a, b, der fig. 495 en fig. 496) alsmede vezels uit de kernen van den binnensteel en den n. triangularis, geleid langs beide tractus vestibulo-nucleares (a, b ten deele, e ten deele). Waarschijnlijk zijn het deze vezels, die

a. langs den fasciculus longitudinalis posterior verbinding maken met oogspier-kernen en substantia grisea centralis en

b. langs den fasciculus prae-dorsalis verbinding zoeken met distale motorische cel-groepen.

2e. Vezels uit den nucleus triangularis, den nucleus sensibilis N. V. en den lemniscus lateralis (fig. 496, e ten deele, c1 en e1). Zij vormen een stelsel in het ventrale gedeelte van het bindarm-veld, dat verbinding maakt met de gekruiste roode kern.

3e. Vezels uit de ventrale spino-cerebellaire baan (fig. 496 A, b ten deele). Zij plaatsen zich tusschen de dorsale en ventrale af deelingen van het halvemaan-vormige veld in. Het aantal dezer vezels is, ten minste bij dieren, niet groot.

4e. Vezels, die deels uit den nucleus emboliformis (fig. 496 bij c), deels uit den nucleus dentatus (fig. 496 bij d) afkomstig zijn. De laatstgenoemde, nog mergloos bij een foetus van 46 cM., nemen de mediale helft van het halvemaan-vormige veld in beslag.

Het is waarschijnlijk, dat de architectuur van den bind-arm nog veel samengestelder is dan in de vorige bladzijden werd beschreven.

Vooreerst zendt misschien ook de lemniscus medialis vezels in den bind-arm. wanneer zij reeds een eindweegs in het tegmentum is afgeweken. Dan zenden ook de eigen kernen van den bind-arm, die wij hebben aangezien als een voortzetting van den binnensteel van het corpus restiforme, er vezels heen, nauw veiwant aan de vezels van den binnensteel. Met de ontwarrinsj van dezen buitengewoon belangrijken bundel is hier nog slechts een begin gemaakt.

Is men eenmaal vertrouwd geworden met de hierboven beschreven bijzonderheden, dan ziet men daarvan wel iets in het volwassen menschelijk zenuwstelsel. De gewoonlijk gebruikte frontale sneden, zooals zij bijv. zijn afgebeeld in de teekeningen fig. 430—437 van de vorige paragraaf ter demonstratie der cerebellum-kernen, doen die bijzonderheden niet goed uitkomen.

De studie van den volwassen menschelijken bind-arm is inderdaad moeielijk. De bundel wordt na de geboorte in dorso-proximale richting verschoven en uitgerekt. De reusachtige grootte van het na de geboorte voortgroeiend cerebellum, de daarvan afhankelijke geweldige omvang der ventrale ponsformatie, te zamenmet het relatief terugblijven in groei van het mesencephalon, bepalen in den menschelijken hersenstam, zoowel de sterke pontine buiging als de verschuiving van den bind-arm. Bovendien is hij in de eerste 2 jaren na de geboorte nog lang niet tot volledigen wasdom gekomen.

WINKLER III. 90

Sluiten