Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overigens zijn er geen aanwijzingen, dat vezels uit den bind-arm in het corpus juxta-restiforme overgaan.

Het halvemaan-vormige veld wordt, terwijl het langs het corpus juxtarestiforme heengaat, steeds grooter en indien vezels daaruit in den binnenstam overgingen; moest het kleiner worden, wat het geval niet is. Ook wordt de doorsnijding van den bind-arm niet gevolgd door M a r c h i-degeneratie in het corpus juxta-restiforme.

M a r c h i zelf heeft oorspronkelijk gemeend, dat dit wel het geval was en na hem heeft ook Thomas zich daarbij aangesloten. Er zou na bind-arm doorsnijding een neerdalende degeneratie ontstaan, die men tot ver in het sacrale ruggemerg kon volgen.

Heden ten dage is de overtuiging algemeen, dat dit alleen dan gebeurt, wanneer door de operatie tevens de kern van D e i t e r s wordt gekwetst. Dit kan al te gemakkelijk gebeuren en dan volgt inderdaad een door M a r c h i's methode aantoonbare degeneratie in de vestibulo-spinale baan.

Wel heeft M a r c h i de verdienste als eerste de bind-arm-vezels tot degeneratie te hebben gebracht, die na kruising in de commissura van W e r n e k i n k, in den gekruisten fasciculus prae dorsalis distaal-waarts gaan en tot in het ruggemerg doorloopen.

C a j a 1 ziet in deze vezels collateralen van de axonen der cellen uit den nucleus dentatus. De hoofdvezel van den bind-arm zou doorloopen naar de roode kern, de collateraal zou zich distaal-waarts naar de medulla oblongata en naar de medulla spinalis wenden.

Eenzelfde cel zou dus in staat zijn synchroon de roode kern en de medulla te innerveeren.

Het is echter mogelijk en het werd op p. 344 verdedigd, dat deze vezels niet afkomstig zijn van het cerebellum.

Men is in staat om den vezelloop in den bind-arm op betrekkelijk eenvoudige wijze in een schema te brengen.

Zulk een schema is afgebeeld in fig. 498.

De gegevens, die in het schema zijn verwerkt, zijn in de voorafgaande bladzijden uitvoerig uiteengezet.

Zij zijn de volgende:

1. In het mediale vezelveld van den bind-arm (c in het schema) vindt men de jongste der stelsels, die hem opbouwen. De mergscheede-vorming in deze stelsels is bij den foetus van 47 cM. nauwlijks begonnen. Zij ontspringen uit den nucleus emboliformis en uit den nucleus dentatus. In de eerste plaats zijn dus de laterale cerebellaire kernen te beschouwen als kernen, waaruit de bind-arm ontspringt en waaraan hij cerebellaire vezels ontleent.

2. In het latero-ventrale veld van den bind-arm (b in het schema) treft men vezelstelsels aan van zeer verschillende herkomst. Door het tijdperk, waarin zich deze stelsels met merg omhullen, worden zij gestempeld tot stelsels, die in elk geval ouder zijn dan de sub 1 genoemde.

Hier worden zij in deze volgorde gerangschikt.

Sluiten