Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het G o 1 g i-praeparaat, een langen axon uitzenden, die soms in een grooten boog, langs den buitenrand der kern heenloopt, maar altijd tot een vezel in den bind-arm wordt.

Tusschen de groote cellen verspreid, maar gewoonlijk vereenigd tot groepjes van 6—10 stuks, vindt men ook kleinere cellen, wier lengte-diameter slechts 15 tu bedraagt.

Ook zij hebben een groote hoeveelheid protoplasma rondom de betrekkelijk groote kern, waarin een duidelijk kern-lichaampje te zien is. De chromophiele klompen zijn veel fijner en zijn in een concentrisch tigroied geschikt, evenzeer met verdichting rondom de kern. In fig. 499 A zijn zij in b, waar zij zich in een groepje bijeen bevinden, afgebeeld.

Omtrent de beteekenis dezer kleine cellen, is men niet geheel zeker.

Vermoedelijk zenden zij hare axonen naar het cerebellum toe.

De nucleus dentatus is namelijk zeer vezelrijk. Uit het vlies, dat hem omgeeft, dringen talrijke vezels er binnen, die in groote druiventros-achtige eind-boompjes daar eindigen en die voortgekomen zijn uit axonen der cellen van P u r k i n j e.

Die eind-boompjes omspinnen echter noch de groote noch de kleine cellen. Veeleer liggen er kleine korrels te midden der omvangrijke druiventrossen. De korrels zouden schakelcellen kunnen zijn tusschen de cellen van Purk i n j e en de groote cellen. De overige cellen, de kleine cellen dus, zouden naar het cerebellum terugleiden.

Er is bij het konijn geen noemenswaard verschil tusschen de thioninepraeparaten van den nucleus emboliformis en van den nucleus dentatus.

Bij den mensch echter zijn de verhoudingen eenigszins anders.

Zoodra men door het normale menschelijke cerebellum, een met Weiger t-P a I's methode gekleurde doorsnede beziet, welke ongeveer door het midden van den nucleus dentatus gaat, dan vallen eenige bijzonderheden op.

In fig. 500 is zulk een doorsnede afgebeeld bij een kind van 3 jaren. Men wordt getroffen door een opvallend verschil in bouw tusschen de dorsomediale en de latero-ventrale gedeelten van de kern.

De kern doet zich voor als een gewonden band. De windingen in het dorso-mediale gebied zijn smal. Zij zijn scherp begrensd tegenover de omgevende vezels, die er op regelmatige afstanden door heen gaan, zoodat een uitermatig windings-beeld ontstaat.

Anders doen zich de ventrale windingen voor. Zij zijn veel breeder dan de dorsale en het is opmerkelijk, dat de overgang van het smalwindings-type der dorsale afdeeling naar het breedwindings-type der ventrale afdeeling zeer abrupt plaats vindt. Alles wat dorsaal van a in fig. 500 ligt, bevat smalle windingen, ventraal er van zijn de windingen breed.

Bovendien is de begrenzing der breede windingen tegen de omgeving der merghoudende vezels niet scherp. Zij schijnen geleidelijk in de omgeving over te gaan. De vezels die er indringen, zijn minder in aantal dan in de smalle

Sluiten