Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een nauwkeurig onderzoek onderwierp, wees er op dat de fronto-dorsale afdeeling tegenover de rest in ontwikkeling vooruit ijlt.

Later brachten Vogten Astwazaturow en Brouwer argumenten uit de pathologie om te verdedigen, dat het fronto-dorsale deel moest worden aangezien als een bij het palaio-cerebellum behoorend gedeelte van den nucleus dentatus. van Valkenburg had aan de mergscheedeontwikkeling eveneens argumenten ontleend, ter verdediging, dat het frontodorsale deel als een ouder deel van den nucleus dentatus kon worden opgevat en Brun kwam bij zijn teratologische onderzoekingen tot een soortgelijk resultaat.

Ook in fig. 396 is afgebeeld, hoe de mergscheede-ontwikkeling rondom den nucleus dentatus in het fronto-dorso-mediale einde begint.

In den laatsten tijd is door Guizettienna hem door Gans nadruk gelegd op het feit, dat het fronto-dorsale deel veel minder ijzer bezit, dan het caudo-ventrale en dat het laatste derhalve een zeer scherpe ijzer-reactie vertoont.

Al deze verschillende gronden, ontleend aan vergelijkende anatomie, embryologie, pathologische anatomie en teratologie stemmen in die mate overeen, dat men gedwongen is om de laterale kerngroep der kleine-hersenkernen in twee verschillende afdeelingen te verdeelen.

De eene afdeeling beantwoordt aan een ouder ontwikkelings-stadium.

Nucleus emboliformis en het fronto-dorso-mediale stuk van den nucleus dentatus behooren er toe.

De andere afdeeling mag gelden als ontstaan in een jongere ontwikkelingsperiode en wordt teruggevonden als het caudo-ventro-laterale stuk van den nucleus dentatus.

In verband daarmede mag het nu wel opmerkelijk heeten, dat ook de cel-groepeering in de smalle en in de breede windingen van den nucleus dentatus bij den mensch verschillend is.

Ook aan Gans is dit opgevallen.

In het cel-praeparaat, der smalle windingen (fig. 499 B) worden bijna uitsluitend groote cellen gevonden. Zij zijn op regelmatige afstanden van elkander geplaatst en liggen geordend in regelmatige rijen. Kleine cellen komen er weinig in voor en die, welke er in worden aangetroffen, liggen aan de concaviteit der winding (fig. 501 B. 6.).

Voor den nucleus emboliformis geldt hetzelfde. De kleine cellen zijn daarin slechts in klein aantal aanwezig.

Dit is anders dan bij het konijn (fig. 499 A), maar tevens anders dan in de breede windingen.

De breede winding is gekenmerkt door de onregelmatige wijze, waarop de groote cellen in de grijze stof verspreid liggen.

Groepjes kleine cellen vindt men daartusschen gelegen, op soortgelijke wijze, als dit bij het konijn het geval is. Ook in de door Gans gepubliceerde foto's neemt men hetzelfde waar.

Sluiten