Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het verschil in architectuur tusschen de dorsale en de ventrale windingen van den nucleus dentatus is evenwel een verschil, dat zich eerst in een betrekkelijk laat ontwikkelings-stadium bij den menschelijken foetus gaat voltooien. Het kan eerst recht duidelijk worden vastgesteld bij den mensch en bij de hoogere apen. Bij lagere apen beginnen eerst enkele dorsale windingen te ontstaan. Bij honden, katten en konijnen is er nog geen spoor van differentiatie in deze richting zichtbaar. Er is slechts een zeer onduidelijk windingsbeeld in den nucleus dentatus dezer dieren.

Om die reden mag men zich de beteekenis van het bouw-verschil der windingen van den nucleus dentatus niet al te eenvoudig voorstellen.

Het uiteenvallen van den nucleus dentatus in een ouder dorsaal deel, een palaio-dentatus en een jonger ventraal deel, een neo-dentatus, rechtvaardigt volstrekt niet de onderstelling, dat de eerste kern een product zou zijn van het palaio-cerebellum in dien zin, dat zij bij den worm behoort en uitsluitend met den worm verbindingen zou bezitten, terwijl de tweede kern, uitsluitend afhangen zou en verbonden zou zijn met het zijdelings geplaatste cerebellum-deel.

Wie deze onderstelling wil verdedigen, komt in botsing met belangrijke feiten.

Want ten eerste hebben konijnen, katten en honden geen differentiatie van den nucleus dentatus, ofschoon zij een fraaie tegenstelling tusschen worm en hemispheren en reeds omvangrijke pontine verbindings-wegen met het cerebellum bezitten.

In de tweede plaats maakt de vorm, waarin die dieren den nucleus dentatus bezitten, en diezelfde vorm wordt teruggevonden in het nog niet gewonden ventrale deel der kern bij lagere apen, zoo goed als bij den foetalen mensch, eer de windingen ontstaan, veeleer een indruk, alsof hij de matrix was, waaruit een eenvoudiger gedeelte werd opgebouwd, waarvoor het oudste deel der kern werd bestemd.

Tegenover deze twee feiten is men wel gedwongen er een andere beteekenis aan te geven. Deze steunt op den gedachtengang van Bolk.

Bolk legt nadruk op de relatieve atrophie van den worm bij apen en bij den mensch, omdat hij daarin de middelpunten ziet voor de organisatie der samenvoeging van bi-laterale bewegings-combinaties. Hij denkt zich, dat bij voortschrijdende ontwikkeling der samenvoeging van uni-laterale bewegingscombinaties, van welke hij het ontwikkelings-middelpunt in de zijdelingsche lobuli ansati aanneemt, een regressie, een teruggang der eerstgenoemde plaats vindt.

Het zou op die wijze verstaanbaar zijn, dat als een weerslag op de regressie in het eerst ontwikkelde gedeelte van het cerebellum ook een regressie zichtbaar werd in dat gedeelte van den nucleus dentatus, dat daarmee een samenhangend geheel heeft gevormd.

Voor de regressief geworden organen waren niet meer zoo talrijke cerebellaire verbindingen (kleine cellen) noodig, als te voren gebruikt moesten worden.

Sluiten