Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook past het, naar mijn meening, volstrekt niet bij hetgeen men als regel in de pathologische anatomie kan waarnemen.

2. De eigen kernen van den bind-arm.

Over deze beide kernen is slechts weinig mee te deelen. Zij ontbreken bij geen enkel der hoogere zoogdieren.

Bij het konijn ziet men ze ter weerszijden van den bind-arm gelegen, doorboord door de vezels, die uit den binnenstee] naar den bind-arm gaan en zij zijn daar in verschillende figuren (fig. 491 C, 492 A) afgebeeld.

Eigenlijk vormen zij samen één kern, omdat talrijke grijze uitloopers dwars door den bind-arm heen, beide kernen met elkander vereenigen. Het cel-praeparaat dezer kernen leert, dat beide zijn opgebouwd uit kleine, gelijkvormige, meest langgerekte, spoelvormige cellen, gebed in een grijze massa met uitloopers.

De laterale kern bij het konijn (fig. 501 A) wordt aan haar laterale einde vrij plotseling breed en is daar zeer vezelarm. Daar ter plaatse zijn de cellen daarentegen dicht opeen gelegen.

Het is niet wel mogelijk deze kern te verwarren met de dorsale kern van den lemniscus lateralis. Want deze blijft tusschen de vezels van den lemniscus lateralis, welke de laterale grenslijn van den nucleus proprius lateralis vormt en overschrijdt die nooit in mediale richting.

De mediale kern, die veel vezelrijker is dan de laterale, ligt langs den medialen rand van den bind-arm.

Dorso-mediaal wordt zij begrensd door den locus coeruleus en den radix mesencephalicus van den N. trigeminus; ventro-mediaal reikt zij tot aan den nucleus motorius van den N. V.

Fig. 501 A geeft deze verhoudingen bij het konijn bij circa 80-malige vergrooting voldoende weer.

Bij den mensch (fig. 501 B) zijn de verhoudingen geen andere, maar de kernen schijnen daar geenszins de groote ontwikkeling te hebben bereikt, die zij bij de lagere dieren bezitten. Trouwens bij kat, hond en aap, worden zij voortdurend kleiner.

Ook bij den mensch hangen de beide kernen door strooken grijze stof, die den bind-arm doorboren, met elkander samen en de cellen zijn van den zelfden aard als bij andere dieren.

De foto 501 B geeft er bij 40-malige vergrooting een voorstelling van. Dat uit deze cellen vezels voor den bind-arm zouden ontspringen, is nog geenszins stellig bewezen.

In het G o 1 g i-praeparaat gaan hare axonen in den bind-arm over.

Maar zoolang deze cellen niet, tengevolge van bindarm-doorsnijding of nog beter door splijting der commissuur van Wernekink tot atrophie zijn gebracht, ontbreekt het stellige bewijs er voor.

Sluiten