Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORWOORD.

Tusschen het verschijnen van het lilde en IVde deel van deze anatomie van het zenuwstelsel ligt de dood van R u d o 1 f Magnus, in leven hoogleeraar in de pharmacologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht.

Evenals dit een onherstelbaar verlies voor de experimenteele pliysiologie van het centrale zenuwstelsel in Nederland bleek te zijn, zoo was dit meer in het bijzonder een geducht verlies voor mij, die gewoon was de anatomische controle der in het laboratorium van Magnus gedane operaties op het centrale orgaan te verrichten en daarmee, voor mijzelf een onuitputtelijke bron voor studie ter beschikking had.

Bepaaldelijk had Dr. Rademaker, wiens studie over de roode kern en wiens arbeid over het cerebellum in Magnus laboratorium werden verricht, sedert jaren, een groot aantal hersenen van konijnen, katten, honden en apen mij ter bewerking opgedragen. Bij die dieren waren weggenomen: le. De groote hersenen, enkel- of dubbelzijdig, soms te zamen met het striatum, soms terwijl dit gespaard was gebleven.

2e. de kleine hersenen. 3e. de groote en kleine hersenen te zamen.

Meestal hadden deze dieren maanden, somtijds zelfs jaren na de operatie geleefd. Ik stel er prijs op hem daarvoor mijn dank te betuigen.

Daarenboven gingen er van het laboratorium van Magnus allerlei vragen uit. Zij drongen ons in een richting, die een herziening der anatomie, bepaaldelijk in het gebied van den hersensteel noodzakelijk maakten.

Er werd gevraagd, hoe de roode kern, die bij afwezigheid van groote en kleine hersenen het voortbestaan van bepaalde stelreflexen verzekerde en het optreden -van spierstijfheid voorkwam, daartoe in staat werd gesteld wanneer de cerebellaire en cerebrale aanvoerbanen verwijderd waren en door welke mesencephale, pontine, bulbaire en spinale aar,ivoorwegen dit mogelijk werd gemaakt.

Er werd gevraagd of de rubro-spinale baan, wel de eenige uitvoerweg naar het ruggemerg was en of bij de reductie der pars magno-cellularis bij apen en menschen er dan geen andere wegen beschikbaar waren om in de plaats te treden van dezen bundel.

Dergelijke vragen stelden voor de roode kern een nieuw anatomisch probleem, dat overigens door Hatschek en Von Monakow reeds was ingeleid en waarvan de uitwerking in dit IVde deel wordt gegeven.

Maar de man die den stoot tot dit werk gaf, is niet meer en de school van Magnus te Utrecht is uiteengespat.

Dat is te betreuren, want niet alleen op grond van de studie der stelreflexen, ook op andere gronden en uit zeer verschillende plaatsen, wint de

Sluiten