Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vezels uit de frontale hersenschors en uit het striatum. De uitvoerende, rubro-fugale vezels verlaten het distale einde hoofdzakelijk langs den medialen rand (verbindingen voor de medulla spinalis en het tegmentum pontis en bulbi). Zij zijn grootendeels gekruist, maar ten deele ook ongekruist.

Uit het proximale einde verlaten de machtige uitvoerstelsels voor diëncephalon en hersenschors de roode kern langs de dorso-laterale en frontale mergmantels.

Een der beste objecten om een aanvang te maken met de studie van de roode kern is ontegenzeggelijk het zenuwstelsel van den mol. Vooreerst is de roode kern daar niet gecompliceerd met de haar doorborende wortels van den N. oculomotorius (fig. 505. A), want practisch gesproken ontbreken er oogspier-kernen en oogspier-zenuwen.

In de tweede plaats is bij dit lissencephale diertje het pallium nog weinig ontwikkeld, ofschoon het cerebellum en het striatum er vrij krachtig zijn. In verband daarmede is de bind-arm (fig. 505. B; br. c.) een vrij flinke vezelbundel, die door twee groote eigen kernen (fig. 505. B; n. lat. br. c. en n. med. br. c.) wordt begeleid.

In de derde plaats heeft dit dier met zijn enorm groot trigeminus-stelsel ook een zeer hoog gedifferentieerd mesencephalon, waaruit een sterke fonteinstraling (fig. 505. A; r. Mey.) en een zeer krachtige, diepe laag van het mesencephalon naar het tegmentum straalt.

De dorsale tegmentum-kruising (fig. 505. A; dec. Mey.) is er dus zeer groot, evenals de praedorsale bundel (fig. 505. B; f. pr.), die ook uit den bind-arm een sterken vezeltoevoer ontvangt.

Ten slotte bezit dit dier, naast de betrekkelijk geringe ontwikkeling van pallium een zeer krachtig rhinencephalon met bijzonder sterke reukwindingen, snuffelorgaan, Ammonshoorn-formatie en striatum en in verband daarmee een zeer groot ganglion interpedunculare (fig. 505. A; g.i.p.) meteen niet minder sterken fasciculus retroflexus.

Dit diertje is in het bezit van een bijzonder groote, scherp omschreven roode kern, die zelfs in het Weiger t-praeparaat is gekenmerkt door de aanwezigheid van een machtig ontwikkeld reticulum, waarin talrijke groote cellen worden aangetroffen (fig. 505. A), waartusschen kleinere zijn verspreid.

De kern wordt begrensd ventro-lateraal door den lemniscus medialis (fig. 505. A; lemn.), dorsaal door de fonteinstraling (fig. 505. A; r. Mey)., mediaal door het ganglion interpedunculare (fig. 505. A; g.i.p.) maar nergens is er een eigen mergmantel tot ontwikkeling gekomen. Er bestaat geen scherpe grensscheiding tusschen het tegmentum en het latero-dorsale gedeelte der kern, al doet zij zich ook vrij scherp voor (zie ook fig. 576).

Uit deze kern ontspringt een buitengewoon krachtige ventrale tegmentumkruising (F o r e I's kruising fig. 505. A; dec. For.).

In deze doorsnede, in fig. 505. A. dus, waar de bind-arm-kruising reeds is voorbij gegaan, wordt de substantia grisea centralis doorboord door een dichte massa vezels, die elkander in de middellijn kruisen.

WINKLEB IV. 2

Sluiten