Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit geheel, waaraan een belangrijke physiologische rol is toebedeeld voor instellings-reflexen, is bij alle vertebraten vertegenwoordigd, onafhankelijk van pallium of cerebellum en heeft een vaste plaats gekregen.

Toen zich onder den invloed van groote en kleine hersenen jongere deelen daarbij hebben gevoegd, zijn zij onder den invloed der groote hersenen, bepaaldelijk onder dien van het diëncephalon in proximale richting verplaatst. Het oudere spino-mesencephale geheel heeft onder den dwang der oudere impulsen zijn plaats behouden, en kon om die reden het proximaal schuivende jongere deel niet in zijn geheel volgen.

De regels der neuro-biotaxis zouden dan bepaald hebben, dat de grootcellige afdeeling haar distale plaats heeft behouden, terwijl de kleincellige, in de opeenvolgende ontwikkelingsrij, in proximale richting werd verplaatst.

Dit werd bij apen reeds zeer merkbaar, maar bij den mensch ging het ten slotte zoover, dat de twee constituenten der roode kern niet langer in en tusschen elkander werden gevonden, zooals bij de lagere zoogdieren. Zij zijn bij den mensch achter elkander geplaatst.

De klinicus zal hieruit leeren voorzichtig te zijn en bij de waardeering van het belangrijke experimenteele materiaal voor oogen houden, dat dit in de eerste plaats betrekking heeft op de mesencephale, bulbaire en spinale ver buidingen der roode kern.

Klinicus en patholoog-anatoom zullen wel doen slechts dan te besluiten tot beschadiging der oudere ruggemergsverbindingen uit de roode kern als de laesie zoover distaalwaarts reikt, dat de mogelijkheid van vernietiging van de grootcellige afdeeling uit de roode kern vaststaat.

b. Structuur der roode kern. Haar verdere onderverdeeling. Deonderscheidingvaneenoudergedeelte

daarin tegenover een jonger gedeelte der kern. Experimenteele resultaten.

Het was noodzakelijk de beschrijving der verschillen in onderlinge plaatsing van H a t s c h e k's kleincellige en grootcellige afdeeling te doen voorafgaan aan een meer nauwkeurige indeeling der roode kern, omdat zonder deze, een orientatie voor het onderzoek naar de onderverdeelingen, die daarin worden gemaakt, ternauwernood mogelijk is.

De namen grootcellige en kleincellige afdeeling zijn zeker niet gelukkig te noemen. Zij zijn dan ook slechts voorloopig behouden, ofschoon er op werd gewezen, dat de beste kenner van de roode kern, von Monakow, waarlijk niet op losse gronden, die nomenclatuur bestrijdt.

Er bestaat inderdaad aanleiding daartoe.

Bij alle dieren, zelfs bij den mol, waar de kleincellige afdeelingen toch nog zeer armelijk zijn ontwikkeld, komen in de z.g. grootcellige afdeeling talrijke kleine cellen voor en in de kleincellige afdeeling zijn er tamelijk veel groote.

Sluiten