Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorts zullen wij weldra zien, dat experimenten bij het konijn leeren, dat een aantal groote cellen in de z.g. kleincellige afdeeling voorkomen, en dat zij niet verdwijnen bij de bulbaire doorsnijding van den rubro-spinalen bundel. Zij zijn geen oorsprongscellen voor dien bundel. Andere vezels voor contra-laterale rubro-tegmentale stelsels in pons Varoli en medulla oblongata komen daaruit voort.

Ten slotte vindt men in de grootcellige kern, voor zoover zij stellig oorsprong is van den rubro-spinalen bundel, vrij veel kleine cellen.

Met een onderscheiding van grootcellige en kleincellige kern, zonder meer, is wel een hoofd-indeeling gegeven, voor orientatie uitermate geschikt, maar men is er niet mee klaar.

Bij het bestudeeren van den fijneren bouw der roode kern onderscheidt vonMonakow vier verschillende soorten van cellen, groote, middelgroote, kleine en zeer kleine.

In de beide eerste soorten, de groote en de middelgroote cellen, herinnert vorm en de schikking der chromatophiele klompen in het tigroied aan de groote motorische cellen. De axonen dezer cellen verlaten de roode kern.

De twee laatstgenoemde, de kleine en de zeer kleine cellen, missen een dergelijke schikking in het slecht ontwikkeld tigroied. De axonen dezer cellen blijven in de roode kern.

Al deze cellen liggen in de grijze trabekels, die door de aanwezigheid van een groot aantal, ten deele zeer dikke zenuwvezels, een eigenaardig aanzien hebben. Door die trabekels wordt de roode kern een reticulaire kern bij uitnemendheid en verschilt daardoor van andere kernen van gelatineusen bouw, zelfs als zij zich door uitloopers reticulair uitbreiden.

Deze fibrillenrijke trabekels hangen dan in alle richtingen met elkander samen. Zij dringen in het massieve vezelveld van den bind-arm, verdeelen hem in kleinere vezelbundeltjes, vatten die bundeltjes tusschen zich in en laten hen als door een reusachtig traliewerk heen naar boven gaan. Tevens echter geven die bundeltjes — welke niet alleen van den bind-arm, maar zooals straks duidelijk zal worden, ook van andere aanvoerwegen afkomstig vooi tdurend fibrillen aan de trabekels af en worden dientengevolge kleiner en kleiner. Maar, terwijl dit geschiedt, ontspringen uit de cellen nieuwe vezels, die zich in proximaal loopende vezelbundeltjes verzamelen en terwijl zich dus bind-arm, fonteinachtige straling en lemniscus-vezels in het distale kern-einde uitputten, ontstaan er steeds nieuwe dwarsgetroffen vezelbundels, wier vezels uit de axonen der middelgroote cellen in de reticula zijn ontstaan en dan in proximale richting verder loopen.

De dwars-getroffen vezelbundels aan het caudale einde der roode kern hebben dus een geheel andere beteekenis, dan die, welke aan haar proximale derde gedeelte gevonden worden.

Kenmerkend vooï de roode kern is echter het door trabekels gevormde rooster of traliewerk, in hetwelk de doorloopende vezelbundels zijn gevat.

Het is in fig. 514 ge teekend naar een celpraeparaat uit de pars magno-

Sluiten