Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De groote cellen, die men hier in groote hoeveelheid vindt, bezitten, naast een groote kern met kernlichaampje, een groote hoeveelheid protoplasma, waarvan het tigroied stricho-chroom is gerangschikt. Zij zenden groote dendrieten uit, die somwijlen direct in elkander overgaan (fig. 514. 1). De middengroote cellen verschillen nauwelijks van hen in bouw, alleen in grootte (fig. 514. 2). De kleinere cellen (fig. 514. 3) daarentegen bezitten slechts een fijnkorrelig tigroied in de geringe hoeveelheid protoplasma, dat om een betrekkelijk groote kern is geschikt. De kleinste cellen (fig. 514. 4) missen bijna alle protoplasma rondom de groote kern. Daartoe behooren ook de talrijke korrels, die in de trabekels worden gevonden en van welke het nog niet vaststaat, dat zij alle als zenuwcellen mogen worden beschouwd. Makrogliacellen komen in het roode-kerngebied al zeer weinig voor. Nader onderzoek zal moeten uitmaken of de kleinste cellen der roode kern, en bepaaldelijk de zeer kleine, intensief zich kleurende korrels, niet voor een groot deel oligo-dendro-gliacellen zijn, omdat er vele als trawantcellen worden gevonden.

Bij den mensch- is de streek der pars magno-cellularis eveneens rijk aan groote en middelgroote cellen (fig. 515), maar ook daar ontbreken de kleine en kleinste cellen niet geheel, al zijn zij er het minst talrijk.

Men kan de structuur van de reticula beter aan karmijn-praeparaten bestudeeren, dan in celpraeparaten met toluidineblauw of thionine gekleurd. Om die reden al zijn een groot aantal der teekeningen (vergelijk fig. 519, 520, 522, 523.) aan karmijn-praeparaten ontleend.

Praeparaten volgens Bielschowsky daarentegen zijn zeer leerzaam, omdat zij geen twijfel overlaten omtrent den aard der fibrillen in de reticula. Zij doen zich meerendeels voor als zenuwfibrillen.

Bij de poging om de détails der roode kern te ontwarren gaat men van de onderstelling uit, dat alles wat deel uitmaakt en bijeengehouden wordt door het traliewerk der trabekels in deze streek, behoort tot de bestanddeelen der roode kern en als zoodanig beschreven mag worden.

Vooral von Monakowis langs dien weg tot belangrijke resultaten gekomen bij zijn bekende studies over de roode kern.

Want al zijn in de voorafgaande bladzijden in ruwe omtrekken eenige bijzonderheden omtrent de plaatsing der grootcellige en kleincellige afdeelingen in het licht gesteld, zij hebben slechts gediend om een voorafgaande orientatie mogelijk te maken.

Andere bijzonderheden moeten thans onze aandacht vragen, en omdat het reeds gebleken is, dat een vergelijking van de roode kern der lagere zoogdieren met die van den mensch, zonder voorafgaande uiteenzettingen ongeoorloofd zou zijn, meer dan dat, zelfs onverstaanbaar, worden deze bijzonderheden weer eerst bij het konijn beschreven.

Ditmaal aan thionine-praeparaten, die, al acht ik hen geheel onvoldoende om een goed overzicht over de reticula te geven, beter dan karmijn-praeparaten een juist denkbeeld geven van den rijkdom der kern aan zenuwcellen.

Volgt men bij een met thionine gekleurde serie, de roode kern bij het

Sluiten