Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De snede x aan de linker zijde der figuur komt overeen met de virtueele lijn door de rechter zijde der teekening getrokken (fig. 518. ab.). Het veld van den rubro-spinalen bundel is rechts (fig. 518. tr. r. sp.) door stippeling aangegeven (vergelijk ook Deel I, pag. 252, fig. 132). Door de operatie is dus dit veld verwijderd.

Bij vergelijking van doorsneden, welke door het onderst derde of door het caudale einde van het middelst derde deel der kern (fig. 519 en fig. 520) gaan, valt dan het volgende op.

De aan de verwonding gelijkzijdige, linker, roode kern (fig. 519) is onveranderd gebleven.

Men herkent in het karmijn-praeparaat de pars magno-cellularis (fig. 519; p. ma.) aan de groote, in de reticula gelegen, zenuwcellen.

De in dwars getroffen vezelbundels opgeloste bind-arm wordt tusschen de reticula in gevat en vormt een aanzienlijk bestanddeel van hetgeen men het centrale merg (fig. 519 c. m.) der roode kern noemt.

Maar dit centrale merg wordt niet uitsluitend door bind-arm-bundels geleverd. Dorsaal en lateraal van het in de pars magno-cellularis opgesloten, uit bind-arm-vezels afkomstige, centrale merg treft men eveneens dwars doorsneden bundeltjes, die niet van den bind-arm afkomstig zijn (fig. 519; a. a.).

Zij vormen ook een middelpunt, waaromheen vooreerst een deel der kleincellige kern, de zijhoorn (fig. 519; c. lat.) gerangschikt is. Slechts enkele groote cellen komen daarin voor. De zijhoorn legt zich als een mantel, dorsaal en lateraal, om de pars magno-cellularis heen. Hij is soortgelijk om het dorsale deel van het centrale merg geschikt, als de pars magno-cellularis rondom bind-arm-bundeltjes wordt gevonden. De zijhoorn is dus geschikt om het deel van het centrale merg, dat door vezelbundels van de fonteinvormige straling en door lemniscus-vezels wordt geleverd.

Hetzelfde herhaalt zich voor de dorsale kern, die zich dorso-lateraal als een mantel om de twee genoemde kernen heenslaat. Het merg (fig. 519; a.), dat hierin als een middelpunt wordt aangetroffen, is ook niet uitsluitend afkomstig uit den bind-arm.

Men onderscheidt in deze snede door het caudale einde der roode kernsoort, de dorso-reticulaire af deeling (fig. 519; n. d. retic.), den nucleus gelatinosus (fig. 519; n. gel.) en de kleincellige kern, den nucleus minimus (fig. 519; n. min.) die in het middelst derde deel der kern een scherp omgrensde kern is.

De gelijkzijdige roode kern is dus normaal gebleven. Daarentegen is de, aan de verwonding, gekruiste kern (fig. 520) terzelfder hoogte, in sterke mate veranderd.

Vooreerst zijn in de pars magno-cellularis alle zeer groote en de meeste middelgroote cellen (fig. 520; p. ma.) verdwenen.

Daarmee gaat gepaard een belangrijk vezelverlies in de F o r e 1'sche kruising uit de gekruiste kern, alsmede een belangrijke reductie van de reticula, uit welke een groot aantal fibrillen wegvallen en een zeker aantal der kleinere cellen (verg. fig. 519 en fig. 520).

Sluiten