Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In dit experiment is dus de fontein-straling van M e y n e r t doorsneden. Bovendien zijn de meeste vezels, die uit den lemniscus lateralis dwars door het tegmentum heen naar de roode kern gaan, van haar gescheiden.

De gevolgen, die deze verwonding op de gekruiste roode kern heeft gehad, zijn afgebeeld in fig. 526, een teekening van een met karmijn gekleurde doorsnede, door het caudale derde gedeelte van het roode-kern-gebied, tusschen No. 3 en No. 4 van fig. 525 vallend.

In den rechter lateralen bovenhoek der teekening ziet men bij x, de plaats, waar zich het lidteeken der snede bevindt. Tevens ziet men, dat er rechts in de teekening niets van de straling van M e y n e r t (fig. 526. rad. M e y. links) is overgebleven.

In de beide roode kernen is de pars magno-cellularis (fig. 526; p. ma.) slechts weinig veranderd. Het centrale merg binnen die kern (fig. 526; c. m.) is beiderzijds door krachtige, dwarsgetroffen, uit den bind-arm afkomstige vezelbundels vertegenwoordigd. De groote cellen aan de linker zijde, zijn evenwel iets kleiner en misschien ook niet zoo talrijk als aan de rechter zijde.

Anders evenwel is het in den zijhoorn gesteld.

Het driehoekige veld van het centrale merg, dat reeds vroeger werd genoemd en zich dorso-lateraal van de pars magno-cellularis bevindt (fig. 526 bij a), wordt aan de linker zijde veranderd gevonden.

Het is daar (gekruist aan de operatie) veel kleiner, bestaat uit veel smaller bundels, die ten deele ontaard zijn en zich met karmijn intensief rood kleuren.

Boven alles echter valt de sterke verkleining in het oog, die de linker zijhoorn heeft ondergaan. Daarin zijn zeer vele kleine en kleinste cellen tenietgegaan en slechts enkele middelgroote cellen zijn er in overgebleven. Vooral is dit sprekend lateraal van de pars magno-cellularis (fig. 526; c. lat.) minder, maar nog duidelijk ook dorsaal er van. Overigens hebben de dorsoreticulaire en de gelatineuse kern, in het caudale kerneinde, dergelijke veranderingen ondergaan als de zijhoorn (fig. 526; n. d. ret., n. gel.), maar het celverlies wordt in de proximale gedeelten dezer kernen veel minder intensief. Dan is er dan tusschen links en rechts geen verschil meer.

De hier gevonden atrophie der roode kern is echter van geheel anderen aard dan die, welke in de pars magno-cellularis werd gevonden na doorsnijding van den rubro-spinalen bundel. Toen verdwenen de groote cellen.

Hier echter zijn allereerst veel kleine cellen in den zijhoorn te gronde gegaan. Daarop is de atrophie van een aantal middelgroote cellen gevolgd, welke klein en pyknotisch worden gevonden. Alles in het caudale kerngedeelte.

Naar mijn meening is de beteekenis van dit experiment de volgende:

Tengevolge van de doorsnijding van de fontein-straling is er een belangrijk vezelverlies gekomen in de driehoekige, dorso-laterale afdeeling van het centrale merg (fig. 526. a), ook de vernieling van een groot aantal lemniscusvezels droeg tot de verkleining van dit vezelveld bij.

Dit vezelverlies wordt gevolgd door een secundaire atrophie van een groot

Sluiten