Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt. Dan verdwijnt het distale deel der roode kern nagenoeg geheel. De cellen uit de pars magno-cellularis verdwijnen (doorsnijding van den tractus rubro-spinalis), het distale centrale merg gaat weg (doorsnijding van den bind-arm van den mesencephalen zenuwaanvoer en van dien uit de lemnisci), zijhoorn en distale dorsale kern (doorsnijding van mesencephalon en lemniscus) verliezen bijna alle kleine en groote cellen. Kortom het caudale einde der roode kern gaat te niet.

Maar dan gaan tevens ook enkele groote cellen in de meer proximale afdeelingen van de laterale en dorsale afdeelingen der roode kern te niet. Met name verdwijnen daar alle zeer groote cellen, als gevolg van axipetale degeneratie.

Deze ontdekking is zeer belangrijk.

Zij bewijst, dat er in de roode kern zeer groote cellen van tweeërlei beteekenis worden gevonden. De groote cellen in de pars magno-cellularis geven het aanzijn aan den rubro-spinalen bundel. Maar andere groote cellen in laterale en dorsale kernen, tot hoog in het proximale einde der roode kern aanwijsbaar, verdwijnen eerst dan, als de verbindingen der roode kern met het tegmentum vernietigd zijn. Zij geven den oorsprong aan den tractus rubro-tegmentalis cruciatus of den tractus rubro-reticularis cruciatus.

Voegt men bij dit gewichtige feit, het niet minder belangrijke, dat er bij de tegmentum-doorsnijding alleen een klein proximaal stuk der gekruiste roode kern overschiet, dan begrijpt men wel, dat E d i n g e r deze feiten benut heeft om zijn geliefkoosde onderscheiding van phylogenetisch jongere en oudere deelen in het centrale zenuwstelsel ook voor de roode kern door te voeren. Hij wil ook daarin een oud en een jong stelsel onderscheiden.

Volgens hem zou de grootcellige af deeling, waaruit de rubro-spinale bundel ontspringt, de palaio-rubrale afdeeling vormen. H a t s c h e k's kleincellige kern, die de rubro-tegmentale verbindingen uitzendt, wordt door E d i n g e r als de neo-rubrale afdeeling der kern opgevat.

Deze vruchtbare gedachte laat zich inderdaad ook voor de roode kern doorvoeren, al is het dan, naar mijn meening, op een wijze, ietwat verschillend van E dinger's gedachtengang.

Want het ligt voor de hand, dat in de roode kern de palaio-rubrale afdeeling nimmer alleen mag worden voorgesteld, door een efferente kern alleen, die oorsprong geeft aan een „comrnon path" in den zin van Sherringt o n, dat bovendien ook door het allerjongste deel der kern gebruikt zal worden.

Het oude deel der roode kern bezit in het driehoekig veld van het centrale merg, in den cornu lateralis en in het disto-ventrale gedeelte der dorsale kern, een gebied, waar de afferente wegen van ouden datum, spinale aanvoerwegen, direct, via de lemnisci, of indirect, via het mesencephalon, heengaan. Dit gebied behoort evengoed bij de palaio-rubrale afdeeling der roode kern als de oorsprongskern voor den rubro-spinalen bundel, waartoe E d i n g e r het beperkt.

Aldus omschreven, mag men, naar mijn meening, inderdaad in de roode kern wel een oudere spino-mesencephale afdeeling onderscheiden van een

Sluiten