Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een schema, dat eenige overeenkomst vertoont met dat, wat in fig. 513 is uiteengezet, toen de verhouding tusschen H a t s c h e k's grootcellige en kleincellige afdeelingen in schema is gebracht.

De palaio-rubrale afdeeling is zwart geteekend in haar efferent gebied, gestippeld in het afferent gebied. De neo-rubrale afdeeling is niet in een efferent en een afferent gebied gescheiden en eenvoudig wit gelaten.

Het schema gaat, evenals dat in fig. 513, uit van de voorstelling eener rij schematische sagittale doorsneden bij verschillende zoogdieren en de reductie van de palaio-rubrale afdeeling, waarop, wat het afferente gedeelte betreft, nog zal worden teruggekomen, is er in uitgedrukt.

De atrophie-methode maakt het mogelijk door summatie van twee operaties —■ half zij dige doorsnijding der medulla oblongata en half zij dige afsnijding van het mesencephalon — de gekruiste roode kern te ontdoen van een belangrijk deel harer palaio-rubrale afdeeling.

Dit werd in de vorige paragraaf uiteengezet.

Maar deze methode werpt niet het minste licht op het waarschijnlijk veel grootere en phylogenetisch veel oudere deel der roode kern, dat met substantia grisea centralis en rhinencephalon samenhangt.

Want ieder, die reeksen op elkander volgende doorsneden door de roode kern in Weiger t-P a 1-praeparaten beziet, moet getroffen worden door de talrijke vezelverbindingen, die er tusschen de roode kern, substantia grisea centralis en reukbundels plaats vinden.

Langs haar mediale grens tegen de substantia grisea centralis vindt een voortdurende uitwisseling van vezels plaats (fig. 540). Zij treden duidelijker op den voorgrond als het massief der bind-arm-vezels uit de roode kern verwijderd is (fig. 531).

De fasciculus retroflexus loopt langs haar medialen rand, maakt deel uit van de mediale randvezels der roode kern en is er zóó innig mee gemengd (fig. 551), dat het haast niet denkbaar is, dat er geen belangrijke vezelverbinding tusschen roode kern en fasciculus retroflexus zou plaats vinden.

Als de bundel van Vicq d'Azyr het corpus mammillare heeft verlaten, is er voortdurend uitwisseling van vezels met de roode kern, met wier mediale mergmantel hij verbindingen maakt (fig. 551).

Ook de columna descendens fornicis wisselt er, door de substantia grisea centralis heen, vezels mee uit.

Maar van dit, tot het palaio-rubrale gedeelte der roode kern behoorende, gedeelte weten wij op het oogenblik niets zekers. Vergelijkend anatomische onderzoekingen zullen er misschien licht in brengen.

Evenmin weten wij iets zekers van optische verbindingen met de roode kern. De tractus peduncularis transversus wordt door C a j a 1 beschreven als te eindigen in een kern, die zich tegen de roode kern aanlegt.

Bij de bespreking van de substantia nigra zal ik hierop terugkomen.

Sluiten