Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dorso-reticulaire en in de gelatineuse kern zoowel zeer groote en middelgroote cellen in vrij groot aantal zijn verdwenen.

Wat de zeer groote cellen betreft, zoo is hun ondergang vrij belangrijk.

In het hier gephotografeerde praeparaat worden er aan de normale zijde een 8-tal gevonden. Aan de geatrophiëerde zijde slechts 5.

De oorzaak daarvan zou kunnen zijn, dat bij den operatieven ingreep naast bind-arm-verwoesting, ook tegmentum-verbindingen uit de roode kern vernield werden.

Maar er is aan het frontale kerneinde een andere bijzonderheid, die in het caudale kerneinde niet zoo duidelijk spreekt en die toch ook van invloed kan zijn op de verandering der groote cellen, gelijk zij het stellig bij het tenietgaan van middelgroote cellen is.

Bij de beschrijving der menschelijke roode kern, vraagt von Monakow de aandacht voor het feit, dat de middelgroote cellen aan het frontale kerneinde dikwijls omgeven worden door een aantal zenuwcellen.

Zij liggen er dicht om heen, zelfs er tegen aan en von Monakow spreekt van begeleidende- of trawant-zenuwcellen.

Daarnaast beschrijft hij het aantal zeer kleine cellen, korrels, welke tegen de daar gevonden zenuwcellen aan, gezien worden. Zij zijn apolaire cellen, ontwijfelbaar oligo-dendro-gliacellen in den zin van H o r t e g a, die er zelfs den naam van trawant-gliacellen aan geeft.

Men vindt hetzelfde terug in het frontale kerneinde van het konijn.

Men kan. daar die cellen aan alle vlakken rondom de groote en middelgroote cellen gevonden worden, dit beter weergeven in een teekening dan in een foto.

Zulk een teekening van de normale dorsale kern is infig. 533. A, van de geatrophiëerde in fig. 533. B afgebeeld. Beide sneden treffen het frontale kerneinde.

In fig. 533. A neemt men waar, dat rondom alle groote cellen (fig. 533. A bij a), rondom alle middelgroote cellen (fig. 533. A bij b) en door de kern verspreid (fig. 533. bij c) kleine en kleinste zenuwcellen zijn gelegen. De groote en middelgroote cellen hebben er altijd eenige in haar nabijheid.

Daarnaast vindt men bovendien een groot aantal zich met thionine intensief kleurende zeer kleine korrels, apolaire gliacellen, welke hij, die met de studie der glia-elementen van del Rio Hortega vertrouwd is, niet aarzelen zal met oligo-dendro-gliacellen te identificeeren.

Die cel-rangschikking ontbreekt evenmin aan het caudale kerneinde, maar is er veel minder sprekend.

Daarentegen is het celbeeld in het frontale einde der roode kern, die onder den invloed der bind-arm-doorsnijding geatrophiëerd is een geheel ander. Dit is in fig. 533. B afgebeeld.

De kleine cellen, die rondom de groote cellen (fig. 533; B. a) en rondom de middelgroote cellen (fig. 533; B. b) zijn gelegen zijn te gronde gegaan of in sterke mate ontaard. Eigenlijk is er nergens een kleine cel te vinden, die niet intensieve verschijnselen van degeneratie vertoont.

Sluiten