Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

arm, en de nucleus pallidus zelf slechts van magere bundeltjes voorzien.

Bovendien is het striatum in vollen omvang in alle proximaal vallende doorsneden verkleind.

Het meest de nucleus pallidus (fig. 536bis. No. 3 en 4) en vooral het gedeelte er van, dat zijn reticula tusschen de vezelbundels van de capsula interna zendt.

Deze verkleining berust behalve op een atropine der vezels ook op celverlies. Een belangrijk aantal der groote cellen, in de reticula dezer kern gelegen, verdwijnt en de beteekenis er van zal bij het striatum verder worden meegedeeld.

In mindere mate is echter ook het putamen verkleind. Ook daarin zijn een zeker aantal der groote cellen te gronde gegaan.

Dit experiment rechtvaardigt de onderstelling, dat er behalve de rubrofugale systemen voor den thalamus, ook een niet onbelangrijk rubro-petaal systeem uit het striatum bestaat, dat langs de ventrale hypothalamus (h2 van Forel) in het frontale merg der roode kern overgaat.

Dit experiment is overigens in volkomen overeenstemming met de resultaten van andere onderzoekers, die langs experimenteelen weg het striatum hebben beschadigd en daarna met behulp van M a r c h i-degeneratie de strio-fugale systemen hebben bestudeerd.

Op de meest overtuigende wijze is door KinnierW ilson (Anatomy, etc., of the striatum. Brain. Bd. 36, 1914, p. 459) aangetoond, datelectrolytische beschadiging van den nucleus pallidus bij Macacus Rhesus gevolgd wordt door degeneratie van vezels, die door het veld h2 van Forel naar de kapsel der gelijkzijdige roode kern gaan en bovendien na kruising in de commissura prae-mammillaris ook de gekruiste roode kern bereiken.

Te voren had ook P r o b s t dergelijke ervaringen bij de kat verkregen en G r ü n f e 1 d in een voorloopige mededeeling (Neurol. Centralblatt, Bd. 30, 1911, S. 639) een strio-rubralen weg, zij het ook eenigszins aarzelend, bij het konijn beschreven.

Er is dus alle reden om bij het konijn het bestaan van een strio-rubrale verbinding aan te nemen, die overigens bij den mensch een zeer belangrijke bundel is.

Maar die onderstelling is ook vereenigbaar met de resultaten, die andere experimenten op de roode kern zelf leer en kennen. Indien men bijv. bij het konijn de geheele hemispheer, inclusief striatum en diëncephalon éénzijdig verwijdert, dan worden er, na betrekkelijk korten tijd, in de gelijkzijdige roode kern intensieve celdegeneraties gevonden en wel bij voorkeur in haar fronto-dorsale af deeling. De magno-cellulaire kern verandert weinig, ook in den zij hoorn en aan het caudale einde der dorsale kern is de celdegeneratie veel minder sterk dan in de dorso-reticulaire af deelingen.

Reeds bij kleine vergrooting is dit duidelijk zichtbaar. De foto's in fig. 537 lichten dit toe. Zij zijn ontleend aan een haematoxyline-praeparaat van een volwassen konijn, bij hetwelk zes weken geleden de bovengenoemde omvangrijke operatie rechts was verricht.

Sluiten