Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reeds een meer beteekenend rubro-corticaal systeem bestaat, dan dit bij het konijn het geval is. Daar de atrophie in de roode kern bij deze dieren niet verschilt, wanneer alleen de hemispheer wordt weggenomen of wanneer dit geschiedt met gelijkzijdige verwijdering van den thalamus, en daar de exstirpatie der hemispheer altijd voert tot het te niet gaan van cellen in de centrale thalamus-afdeelingen, mag vermoed worden, dat in het eerste geval de rubro-thalamische stelsels mede te niet gaan, als gevolg van de laesie der hemispheer.

Isoleering van het rubro-thalamisch en het rubro-corticale systeem is dus langs dezen weg niet te maken.

Toch geloof ik niet, dat bij konijnen het rubro-corticale systeem van eenige beteekenis kan zijn. Na verschillende partieele schors-exstirpaties zag ik in de roode kern geen afwijkingen en ook M a r c h i-praeparaten deden mij dan geen directe gedegenereerde vezels naar de roode kern waarnemen.

Ook is langs dezen weg het strio-rubrale stelsel niet van de rubro-thalamische stelsels te scheiden. In al deze operaties gaan deze beiden te zamen te niet.

Bij den hond, die door ZelionyinPavlo v's laboratorium is geopereerd en jaren zonder hersen-hemispheren heeft geleefd, vindt men soortgelijke veranderingen in beide roode kernen, als boven werden beschreven.

Ter demonstratie is eerst in fig. 540 een teekening gegeven van de doorsnede door het midden der roode kern van een normalen, middelgrooten hond. Zij is vervaardigd naar een Weiger t-P a 1-praeparaat met dubbelkleuring door ammoniak-karmijn en de groote en middelgroote cellen zijn met groote nauwkeurigheid daarin geplaatst.

Men ziet dan in de roode kern, die door de uittredende wortels van den N.-III wordt begrensd, de grootcellige kern met haar centrale merg in het midden gelegen. Ook hier is dit gedeelte van het merg uitsluitend uit bundels van den bind-arm opgebouwd.

Ook het dorso-lateraal daarvan aanwezige, driehoekige veld, waarin naast bind-arm-bundels, bundels uit den lemniscus en uit de fontein-straling worden gevonden, vindt men er gemakkelijk weer.

Ventro-lateraal van deze kern ziet men den zijhoorn, die te dezer hoogte (het bovenste gedeelte van het middelste derde kerndeel) reeds klein is geworden en met de dorsale kern samenhangt. Naast enkele groote bevat zij meerendeels middelgroote en kleine cellen.

Dorsaal en lateraal bevindt zich de dorsale afdeeling, die in haar meest laterale gedeelte niet volledig is geteekend. Ook hierin overheerschen de middelgroote cellen en vindt men enkele groote cellen.

De dorsale kernbegrenzing door de straling van Meynert is zeer scherp.

Vergelijkt men nu zulk een doorsnede met een gelijkwaardige door de roode kern van den grooten hersenloozen hond van Z e 1 i o n y, dan is dit eerst mogelijk, nadat men heeft rekening gehouden met de juiste uitbrei-

Sluiten