Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sedert James Collier en Farquhar Buzzard (Brain. Vol. 26. 1903) in een viertal gevallen deze veranderingen bij den mensch na tumor of abscessus tegmenti hebben medegedeeld, zijn zij allerzijds onder dergelijke omstandigheden bevestigd geworden.

Maar in al die gevallen is in het tegmentum veel meer dan de roode kern verwoest. Bovendien al bleef die verwoesting beperkt tot de roode kern, dan worden noodzakelijkerwijze ook de daardoor passeerende systemen beschadigd. Zij bewijzen dus alleen, dat bovengenoemde haarden onder meer gevolgd moeten worden door degeneratie van den rubro-spinalen bundel, maar niets omtrent zijn juisten oorsprong.

Nog veelgrooter zijn de bezwaren, die kleven aan de gevallen van atrophie van dezen bundel, waargenomen bij éénzijdige kleine haarden, welke soms verbazend nauwkeurig tot de roode kern beperkt blijven.

In de kliniek welbekend is een lijden, waarbij een verlamming van den N. oculomotorius samengaat met halfzijdige contractuur in de gekruiste ledematen en met onwillekeurige beweging (tremor, chorea, athetose) in die ledematen. C h a r c o t heeft aan deze symptomen-groepeering den naam gegeven van het „Syndroom van B e n e d i k t".

Meestal waargenomen bij jongere personen berust dit syndroom bijna altijd op een tuberkel in de streek van de roode kern en er zijn daaronder gevallen van zeer omschreven, haast nauwkeurig tot de roode kern beperkte, uitbreiding van den tumor.

Rademaker (De beteekenis der roode kernen, enz., Utrecht, 1924) heeft een aantal dezer gevallen bijeenverzameld.

Bijzonder fraai is deze groep vertegenwoordigd in een geval, dat door D é j é r i n e klinisch is onderzocht en door Marie en Guillain is beschreven (Nouv. Iconogr. de la Salpétrière, T. 16, 1903, p. 80).

De verkaasde tuberkel verwoest nauwkeurig het caudale einde der roode kern, terwijl de omliggende gedeelten, als de substantia nigra, gespaard zijn. Als gevolg van dezen, van kindsbeen af gedragen haard is aan de zijde der laesie, de fasciculus longitudinalis posterior tot in de brug geatrophiëerd, de strio-olivaire baan met de kapsel der olijfkern ongeveer geheel verdwenen en de oliva inferior zelf verkleind. Naar een atrophie van den rubro-spinalen bundel zoeken echter de schrijvers tevergeefs.

Hetzelfde geldt van de waarneming van Halban en Infeld (Obersteiner's Arbeiten, Bd. IX, 1902, S. 329). De haard, een verkalkte tuberkel, beperkt zich tot het distale eind van roode en witte kern. Slechts de bundel van M e y n e r t, het mediale stuk van den lemniscus (ook bij Charcot en Guillain vernield) en het dorsale deel der substantia nigra zijn tevens beschadigd. Ofschoon ook zij de volledige atrophie van de stria-olivaire baan met de kapsel der onderste olijfkernen vaststellen, spreken zij over den rubro-spinalen bundel niet.

Al meen ik nu, dat ik zoowel in de foto's van Marie en Guillain als in de teekening van Halban en Infeld, de plaats waar de tractus

Sluiten