Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarentegen springt nu zeer duidelijk in het oog, hoe sterk liet vezelverlies links is, vooral in de latero-ventrale kern. Deze is links ongeveer de helft kleiner dan rechts. Maar ook in de linker dorso-mediale kern is de vezelarmoede zeer opvallend.

Het geheel beantwoordt dus wederom aan hetgeen in fig. 556 en fig. 558 werd gezien.

Uit al deze waarnemingen blijkt hoe leerzaam vezelpraeparaten zijn voor de studie der roode kern.

Veel moeilijker is in al deze gevallen het oordeel over celpraeparaten, zoowel als men met karmijnkleuring der in chroomzure zouten geharde praeparaten, als wanneer men met N i s s I's kleuring na alcoholharding, onderzoekt.

Verschillende omstandigheden bepalen dit.

Ie. Als de zeer vezelrijke roode kern in eenige afdeeling de vezels verliest en haar reticula schrompelen, wordt die afdeeling veel kleiner. Dientengevolge komen de cellen veel dichter bijeen, zoodat het ondanks celverlies den indruk kan maken, alsof in de geschrompelde kern meer cellen liggen dan in de normale.

2e. Die indruk wordt in karmijnpraeparaten nog versterkt, omdat de geatrophiëerde vezelbundels, zoowel als de geschrompelde en sklerotisch geworden reticula, zich alle zeer intensief met karmijn kleuren en daardoor zeer gemakkelijk te zien zijn. In praeparaten volgens N i s s 1 ziet men van die reticula niet veel. Tusschen de dicht opeengedrongen cellen vindt men veel celresten, pyknotische cellen en het aantal kleine korrels en korrelhoopen toegenomen.

3e. Niet zelden ziet men tusschen de opeengedrongen, deels veranderde, deels normale cellen, enkele zeer groote cellen, meer dan in de norma. Vermoedelijk is dit te danken aan de omstandigheid, dat er na oude haarden, talrijke ongeschonden verbindingen, die de roode kern bezit, krachtig hebben gefunctioneerd. Evenals bij den hemispheer-loozen hond (fig. 541) kunnen dan cellen functioneel liypertrophiëeren.

Maar ondanks al deze bezwaren is het niet moeilijk ook in karmijnpraeparaten vast te stellen, dat alle haarden in den thalamus gevolgd worden niet alleen door vezelverlies, maar ook door celverlies, zeer sterk in de lateroventrale kern, minder sterk in de dorso-mediale.

In de roode kern, aan de zijde van den haard, die in fig. 559 is afgebeeld, wordt in het meest proximale stuk der latero-ventrale kern geen cel meer gevonden. Maar bijv. in sneden, die beantwoorden aan de afbeelding van fig. 560. is het celverlies groot. Het karmijnpraeparaat, dat in fig. 561 is geteekend, beantwoordt aan het vierkantje in fig. 560.

Fig. 561. A is ontleend aan de normale roode kern, fig. 561. B aan de roode kern gelijkzijdig aan den thalamus-haard, ongeveer daar, waar in fig. 560 een vierkantje is geplaatst.

Op den eersten aanblik schijnt de kern met haar intensief gekleurde

Sluiten