Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tremoi alterneerend is en dat het bevende lid in de ruimte dergelijke figuren beschrijft, als door Lissajousin twee vlakken bij interfereerende geluidsgolven zijn beschreven.

Kort geleden werd in dezelfde kliniek, thans onder leiding van professor Brouwer, door Dr. de Jong, W e r t h e i ni's gedachte weer opgevat en in de richting uitgewerkt, dat het beven bij paralysis agitans gevolg is van prikkels uit de buitenwereld.

De slapende lijder aan de ziekte van Parkinson beeft niet, maar hij vangt met beven aan, zoodra prikkels, hetzij huid- ,geluids- of andere prikkels hem treffen, zonder dat zij hem wekken. Eerst, als hij gewekt is, wordt het beven bij hem weer maximaal.

In den hier verdedigden gedachtengang is de oorzaak hiervan, dat, naast een onvolkomen beschadiging van het gemeenschappelijk uitvoerpad er een functie-stoornis bestaat van de substantia nigra of van het caudale gedeelte van de roode kern. De langs dit pad vervoerde eindsignalen zijn afwisselend en onregelmatig geworden. Slechts gedeeltelijk wordt de spierstijfheid toegelaten, en als dit het geval is, nu eens in de eene, dan weer in de andere der haar samenstellende componenten. Aldus wordt een alterneerende tremor geboren.

De meening van K 1 e i s t, dat de tremor bij de ziekte van Parkinson de meest elementaire meebeweging is, die wij kennen, onderschrijf ik dan ook geheel.

Maar, de opvattingen van Tetriakoff onderschrijf ik slechts gedeeltelijk.

Naar mijne meening worden veranderingen in de zwarte kern gevonden bij de lijders aan de ziekte van Parkinson, als zij tijdens hun leven gebeefd hebben. Bij lijders aan paralysis agitans sine agitatione, gewoonlijk met sterke spierstijfheid gepaard, behoeft dit niet het geval te zijn.

Nog een opmerking, alvorens deze paragraaf te sluiten.

Door de zwarte kern heen loopen in het stratum intermedium de pedunculi lemnisci. Zij geven, bij hun degeneratie wordt dit duidelijk, vezels af aan de substantia nigra op dezelfde wijze, als zij het aan de nuclei pontis doen en stempelen de eerst-genoemde kern, evenals de laatstgenoemde, tot tusschenstations tusschen proximale uitvoerbanen en motorische kernen in hersensteel, V a r o I's-brug, en de zijdelingsche kernen der medulla oblongata. Al zijn deze wegen, op grond der in de vorige bladzijden gegeven uiteenzettingen, geen eigenlijke corticale, maar alleen operculaire en pallidaire banen, toch wordt door de straksgenoemde innervatie een deel van het palaio-nigrum daardoor gemaakt tot een tusschen-station voor de kernen der lilde en IVde hersenzenuwen.

Evenwel blijkt er in de kliniek niet veel van een direct corticalen invloed op de oogspierbewegingen. Het eenige stellige corticale effect daarop, dat men, zelden permanent, waarneemt, is de geconjugeerde zijdelingsche deviatie der oogen. Dit effect wordt echter niet overgebracht via de zwarte kern, maar, na

Sluiten