Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Inderdaad heeft L u y s, als de eerste, in 1865, deze kern beschreven onder den naam van „bandelette accessoire de 1'olive supérieure".

L u y s verstond onder ,,olive supérieure", wat wij thans de roode kern noemen. Een aantal der efferente vezels uit het frontale merg der roode kern, zouden volgens L u y s in laterale richting, aanvankelijk evenwijdig aan elkander loopen en daarna weer convergeeren naar den hersensteel, zoodat deze vezels tusschen zich sluiten de ellips-vormige kern, door L u y s als „bandelette accessoire" beschreven.

M e y n e r t heeft die kern niet afzonderlijk beschreven, maar haar beschouwd als een deel der substantia nigra.

Forel daarentegen leert de kern van L u y s nauwkeurig waardeeren als een kern, die de gedaante heeft van een spoel van 7,5 m.M. lang, 10 m.M. breed en 3,4 m.M. dik. De spoel rust op de dorsale vlakte van de capsula interna, is dorsaal en ventraal omgeven door een kapsel van evenwijdig loopende vezels, die zich vereenigen daar, waar de laterale pool der kern gevonden wordt.

De dorsale vlakte der spoel is meer convex dan de ventrale, maar de mediale vlakte staat open tegen de substantia grisea centralis. Daar stralen een groot aantal vezels de kern binnen of ontspringen er uit.

Overigens gaan zoowel langs den ventralen als langs den dorsalen rand der kern, talrijke vezels in die kern over, welke dwars door de capsula interna zijn heengebroken (kam-systeem) en is de kern door commissuur-vezels met die der andere zijde verbonden.

Voor deze kern van L u y s is door Henle het eerst de naam van corpus subthalamicum gebruikt.

Zij zou, volgens Forel, alleen in menschen- en apen-hersenen voorkomen, en bij lagere zoogdieren nog niet behoorlijk gedifferentieerd zijn.

Evenwel weten wij door R a m o n y C a j a 1, dat juist deze kern, zoowel wat haar vorm, als haar verhouding tot haar omgeving betreft, een der meest constante kernen is, die in het zenuwstelsel der zoogdieren, ook der lagere zoogdieren worden aangetroffen en door een commissuur met die der andere zijde vereenigd, een der meest kenmerkende kernen der zoogdieren-hypothalamus is.

De nucleus subthalamicus vormt dus de meest ventrale laag van den hypothalamus. De dorsale lagen er van zijn nog rijker aan vezels dan de kern van L u y s, maar daarentegen armer aan cellen.

Vooreerst treft men in de dorsale afdeeling aan: het door Forel zoogenoemde veld h, een dicht vezelveld, waarvan het frontale merg der roode kern deel uitmaakt, met zijn beide uitloopers hl en h2, die reeds herhaaldelijk werden beschreven.

Het veld h van F o r e 1 is, gelijk wij zagen, niet af te scheiden van de vezelmassa, die wij als de frontale mergstraling uit de roode kern hebben leeren kennen. Beide behooren bij elkander, in zoo sterke mate, dat men eigenlijk van twee verschillende namen voor hetzelfde veld zou kunnen spreken.

Sluiten