Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook langs den dorsalen kernrand vindt men bij het konijn (fig. 598. A) den overlangs getroffen vezelbundel terug, dien men mag beschouwen als overeenkomend met den bundel, die in menschen-hersenen als h2 van Forel beschreven werd.

De bouworde der regio subtlialamica bij konijn en bij mensch is dus zeer nauw aan elkander verwant. Het is daarom reeds waarschijnlijk, dat er behalve pallido-rubrale wegen (zie fig. 536bis), in h2 van Forel, naast pallido-nigrale en nigro-pallidaire wegen, bovendien ook vezels uit den nucleus subthalamicus naar den nucleus pallidus, zoo goed als in omgekeerde richting loopen. Bij het konijn vinden zij in hoofdzaak hun weg langs den ventralen kernrand, omdat de bundel h2 van Forel bij dit dier nog weinig gedifferentieerd is, maar die bundel is stellig aanwijsbaar.

De cellen van den nucleus subthalamicus zijn bij het konijn van tweeërlei aard: zij zijn groote cellen en zeer kleine cellen.

De groote cellen (fig. 598. B) bezitten een langgerekten spoelvorm, lang en smal. Haar lengte-as staat min of meer loodrecht op de richting der vezelbundels van den pedunculus cerebri. Langs den rand van den hersensteel vindt men althans eenige transversale rijen van groote cellen. Naar het midden der kern neemt de regelmaat in de plaatsing der rijen af. Mediaal is het aantal cellen grooter dan lateraal. Deze cellen zijn bij het konijn slechts weinig kleiner dan lateraal, wat bij den mensch zeer duidelijk is. Ongemerkt gaan de cellen over naar die der substantia nigra. De cellen van het corpus subthalamicum zijn meer spoelvormig, minder polygonaal dan die der zwarte kern. Zij zijn ook kleiner. Maar in de frontale afdeeling van de zwarte kern nemen de cellen in omvang af, haar veelhoekigheid wordt minder_duidelijk, zoodat een scherpe scheiding tusschen de cellen van de frontale substantia nigra en van de kern van L u y s moeilijk te trekken is.

De hier bedoelde kleine cellen van het corpus subthalamicum zijn zeer veel kleiner dan de groote cellen; zij liggen met deze in dezelfde gelatineuse, zich met karmijn zeer intensief kleurende grond-substantie, waarin bovendien een zeer rijk netwerk van zeer vele, fijne, merghoudende, zenuwvezels wordt aangetroffen.

De verbindingen, die het corpus subthalamicum met het overige zenuwstelsel maakt, zullen hier bij den hond ontleed worden, ofschoon zij bij het konijn zich soortgelijk voordoen.

In fig. 599. A vindt men een afbeelding der regio subthalamica naar een Vezel-praeparaat van den hond. In deze figuur neemt men ongeveer hetzelfde waar, als bij het konijn het geval was. De kern van Luys (fig. 599. A. n. subth.) heeft er reeds de haar kenmerkende spoelvormige gedaante verkregen, die zij bij alle hoogere zoogdieren bezit. De toevoer van vezels langs den ventralen rand der kern van Luys bestaat nog wel, maar veel grooter is het aantal vezels geworden, dat de kern bereikt langs meer dorsale afdeelingen, langs de mediale pool der kern en vooral langs den dorsalen kernrand.

Op deze wijze ziet men thans ook den scherp gedifferentieerden vezel-

Sluiten