Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die hypothese steunt op de volgende overwegingen.

Gaat men uit van den afvoer van het cerebro-spinale vocht uit het hersenweefsel, dan vindt men algemeen aangenomen, dat dit vocht de hersenen langs enkele hoofdwegen verlaat.

1. gaat het uit de wijdmazige vochtruimten der subarachnoidale ruimte deels direct over in de aderen, en door de granulaties van Pachioni, in den hersensinus en zelfs in de diploë-aderen.

2. gaat het langs perivasculaire en peri-neurale lymphspleten in den lvmphweg over en langs den lymphweg wederom in de aderen.

De derde, vrij algemeen aangenomen weg, door welke het kamervocht, dat in den ventriculairen vochtzak is opgesloten, zou ovei'gaan in het vocht der subarachnoidale holte, nl. door de openingen die men als het foramen Magendie en de foramina van L u s c h k a vindt, wordt daarentegen door vonMonakow bestreden. Anatomisch onderzoek heeft hem geleerd, dat bij het seriaal onderzoek van menschelijke foetale hersenen, deze openingen niet als gepraeformeerde openingen voorkomen. Zij missen bovendien een eigen ependymale omgrenzing en zij zijn ook bij zoogdieren niet aanwezig. Voor von Monakow blijft de inhoud der kamers, het vocht van den ventriculairen zak, overal scherp gescheiden van den inhoud der subarachnoidale ruimte. Luschka's en M a g e n d i e's openingen dienen voor het doorgaan van chorioidale bloedvaten. Langs de groote hersenspleet wordt de scheiding der beide vochtzakken door een enkele laag ependymweefsel gevormd. Maar de scheiding tusschen beide is volkomen. Men kan dit alles in het voorafgaande schema (fig. 609) lezen.

Het weefsel der tela chorioidea, zoowel die der laterale ventrikels, als die van den 3den ventrikel wordt door de arteria chorioidea (fig. 609 artère chorioidienne) gevoed. Uit het bloed wordt datgene opgenomen (endocrine hormonen) wat voor de stofwisseling in het zenuwstelsel kan noodig zijn, maar ook datgene vastgelegd, wat eventueel het zenuwstelssl zou kunnen schaden.

Wat voor het zenuwstelsel noodig is, wordt in de kamer afgescheiden, om vandaar, zij 't als vormelementen, zij 't als chemische stoffen, het zenuwstelsel binnen te gaan.

Dit voor het zenuwstelsel noodige vocht, gaat van de kamerholte uit, tusschen de ependym-cellen door in de spleten en in de reticulair gerangschikte uitloopers der glia-cellen en bereikt in langzaam voortschrijdend tempo de hersenschors (zie de pijltjes in fig. 609). Eenmaal in den cortex aangekomen, voorziet die vochtstroom de zenuwcellen van alles wat zij noodig hebben en uit het bloed alleen niet kunnen krijgen. De metabolische stofwisselingsproducten dezer zenuwcellen worden dan afgestaan aan de uitloopers der gliacellen. Zij vormen als gliakamercellen van Held of de membrana limitans gliae, welke tegen de membrana intima piae grenst en daarmee vergroeid is. Aldus bereiken zij de ruimte van Vircho w-H i s en dringen naar de subarachnoidale ruimte voort. Van daaruit kan het direct in de aderen

Sluiten