Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dieren hebben gezien na wegneming van de hemispheer (zie Deel IV, fig. 540 en fig. 541).

Men meene echter niet, dat deze laesie eenigen invloed uitoefent op de algemeene structuur van het celbeeld. Deze keuze is uitsluitend geschied, omdat de tegenstellingen in de algemeene structuur nog duidelijker voor den dag komen, dan dit in het normale striatum het geval is.

Beziet men dan fig. 620, dan valt het op, dat het putamen in het N i s s 1praeparaat is opgebouwd uit een onnoemelijk groot aantal kleine, meestal pyramidevormige cellen, met een duidelijke kern en vrij veel protoplasma. Deze kleine cellen wisselen onderling in grootte en liggen in groepjes van 5—20 bijeen, van elkander gescheiden door vrije ruimten, die dikwijls beantwoorden aan de daartusschen gevonden kleine vezelbundeltjes.

Tusschen die kleine cellen in worden hier en daar enkele groote cellen gevonden van denzelfden aard als die, welke in den nucleus pallidus worden waargenomen. Zoodra men echter, uit het putamen komende, de lamina medullaris limitans heeft overschreden en in den nucleus pallidus is overgegaan, wordt het cellenbeeld volkomen anders.

Zooals het eerst door Ramsay Hunt met oordeel des onderscheids is beschreven, wordt de nucleus pallidus bijna uitsluitend opgebouwd uit groote cellen. Deze cellen, drie- of veelhoekig, pyramidenvormig of spoelvormig, hebben een duidelijke groote kern met een kernlichaampje en een groote hoeveelheid protoplasma met N i s s I's tigroid.

Er bestaat dus een zeer scherpe afscheiding tusschen putamen en nucleus pallidus. In het vezelbeeld wordt zij in de lamina medullaris externa gegeven. In het celpraeparaat door een plotseling veranderende celstructuur, in het putamen zeer kleine cellen (waartusschen hier en daar een verspreide groote cel) die onmiddellij kgrenzen aan den nucleus pallidus, waarin de groote cellen overwegen.

Daarenboven vindt men rondom de commissura anterior en langs de ansa lenticularis den nucleus hypolenticularis of nucleus basillaris geplaatst. Deze kern is opgebouwd uit cellen, die niet of nauwelijks verschillen van de cellen in den nucleus pallidus. Zij liggen echter veel dichter opeen, en omdat zij zoo dicht op elkander zijn gedrongen, krijgt men wel den indruk alsof zij grooter zouden zijn dan de cellen van den nucleus pallidus, wat voor enkele dezer cellen ook het geval is.

Door het celpraeparaat wordt dus de indruk gewekt van een volkomen tegenstelling tusschen putamen en nucleus pallidus, terwijl nucleus pallidus en nucleus basillaris veel overeenstemming in hun celbouw vertoonen. En meer nog, de bouw van den nucleus pallidus en van den nucleus basillaris, hun samenstelling, nagenoeg uitsluitend uit groote cellen, hun gezamenlijke uitvoerweg in de ansa lenticularis, dit alles wijst er op, dat daarin een uitvoerend systeem te zoeken is.

Vatten wij na deze uitweiding wederom de beschrijving op van onze reeks transversale doorsneden, die thans caudaal van het corpus mammillare door de stamganglia gaan.

Sluiten