Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarvan de basis samenhangt met den steel (fig. 624 opt.) van den oogbeker. Beide blaasjes zijn frontaal en ventraal van de kopbuiging (fig. 624 k.b.) gelegen en begrenzen haar naar voren toe.

3. Het mesencephalon of het middelste hersenblaasje (fig. 624 mesenc.) dat thans aan den top der hersenvlakte ligt en de kopbuiging naar boven begrenst.

4. De voorste afdeeling van het oorspronkelijke achterste hersenblaasje, het cerebell-encephalon (fig. 624 cereb.), welker ventrale basis, (fig. 624 po.) de ponsbuiging, de diepe insnijding der nekbuiging (fig. 624 N.b.) frontaal begrenst.

5. De achterste afdeeling van het oorspronkelijke metencephalon, het myelencephalon (fig. 624 myelenc.), dat de nekbuiging caudaal begrenst en zich caudaal geleidelijk voortzet in de neurale buis van het ruggemerg (fig. 624 m. sp.).

Bezien wij thans datgene, wat zich in de eerste dagen afspeelt in den wand dei blaasjes, die het zenuwstelsel vormen, en beginnen wij de beschrijving ervan, met hetgeen er gebeurt in den wand van de neurale buis, waaruit het latere ruggemerg voortkomt.

Aanvankelijk is die wand opgebouwd uit een massieve laag cellen, die zich krachtig deelen en rondom het centrale kanaal zijn gelegen. Weldra differentieeren zich langs den periferen wand dezer cellaag de eerste echte zenuwcellen of neuro-blasten. Zeer vroeg ontstaat, langs de ventrale periferie van dien wand, de aanleg voor motorische of effectorische zenuwcellen, de eerste aanleg van den ventralen hoorn. Weldra volgen, langs de dorsale periferie van den wand, nieuwe cellen, sensorische of receptorische zenuwcellen, als de aanleg voor den dorsalen hoorn. Door deze differentiatie wordt de oorspronkelijke cellaag verdeeld in een buitenste cellaag (de ,,aussere Mantelschicht van H i s) waaruit zenuwcellen voortkomen en in een binnenste cellaag (de ,,inneve Mantelschicht van H i s) waaruit zich zoowel ependymcellen als gliablasten, naast zenuwcellen ontwikkelen. Beide lagen geven celuitloopers naar de buitenste laag, de randzone van het ruggemerg (de ,,Randschleier" van H i s), zoodat het wordende ruggemerg dan uit de beide cellagen, de grijze stof, binnenin en de randzone, de latere strengen, daaromheen, bestaat. Beide vormen kringen rondom het centrale kanaal.

De ventrale celgroep snelt in ontwikkeling de dorsale vooruit. De cellen er van zenden uitloopers, axonen, uit, die de randzone doorboren en tot de ventrale ruggemergswortels worden. Spoedig groeien ook naar de dorsale celgroep andere vezels toe, de dorsale ruggemergswortels; ook zij doorboren de randzone. De randzone wordt door die wortels op een natuurlijke wijze verdeeld.

De ventrale wortels scheiden beiderzijds van de randzone een stuk af, dat door H i s grondplaat is genoemd, en gelegen is tusschen de wortels en de door H i s zoogenoemde bodemplaat, die het ventrale einde van het centrale kanaal bedekt.

Sluiten