Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

buiging en men ziet. dat zij den nucleus caudatus van het putamen der lenskern afscheidt.

Want tusschen het voorste been der capsula interna en de dichte laag cellen van beide knobbels ligt een lichtere celzone, die men als aanleg voor den nucleus caudatus mag aanzien. Hier echter wordt die aanleg door beide knobbels als matrix voorzien.

Tusschen het voorste been der capsula interna en tusschen de capsula externa ziet men het begin van het putamen der lenskern. Maar evenmin als er iets van het caput nuclei caudati te zien is, neemt men de zijdelingsche welving van het putamen waar.

Hoe volledig echter het striatum bij den foetus van 50 m.M. lengte al is aangelegd, maakt fig. 632 B duidelijk.

Deze snede treft de hersenmassa door de commissura anterior en door de commissura posterior cerebri. Men overziet daarin den geheelen aanleg van het striatum tusschen welke de capsula interna doorgaat. Het voorste been daarvan is hier al wat minder duidelijk zichtbaar geworden dan het in fig. 632 A was. Maar toch kan men aan de mediale zijde er van de cellenmassa van den nucleus caudatus herkennen aan wiens ventrale grens men de commissura cerebri anterior ziet voorbijgaan. Veel duidelijker te onderscheiden is, aan de laterale zijde van het voorste been de nucleus lentiformis. Zij wordt verder mediaal begrensd door de knie en het achterste been der capsula interna. In dezen nucleus lentiformis herkent men het putamen dat door de capsula externa van de schors wordt gescheiden en door een stria medullaris externa mediaal wordt begrensd.

De geheele lenskern heeft den vorm van een driehoek, het putamen heeft den vorm van een trapezium. In het striatum ziet men mediaal van den aanleg der stria medullaris externa, de nog dicht opeengedrongen celmassa, welke als aanleg voor den nucleus pallidus mag worden aangezien. Deze nucleus pallidus hangt door celbanden, die dwars door de knie der capsula interna heengaan, samen met het diëncephalon en ook van het diëncephalon uit ziet men van die celbanden in de richting van den nucleus pallidus loopen. Men krijgt hier den indruk, dat de nucleus pallidus zich, althans ten deele, van ventraal uit tegen het trapezoied van het putamen heeft aangeschoven, zeker niet dat die kern uit het putamen zou zijn ontstaan.

Eindelijk herkent men tegen den achterhoorn van het telencephalon den lateralen knobbel, die hier als matrix voor den staart van den nucleus caudatus fungeert en waaronder de lichtere celzone, die scherp tegen het achterbeen der capsula interna afgegrensd, wordt gevonden. Zij mag als aanleg voor den staart van den nucleus caudatus worden aangezien. Aan het vooreinde ziet men wel de basis van de celbegrenzing der fissura M o n r o i, lateraal er van is alles, wat men als een kop van den nucleus caudatus zou kunnen aanzien.

Nog fraaier dan dit het geval is in fig. 632, ziet men den stand der ontwikkeling van het striatum bij een reeds veel ouderen foetus, van ruim 80 m.M. lengte.

Sluiten