Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de nucleus pallidus (fig. 634 pall.) en de ventraal er van gevonden nucleus hypolenticularis of basillaris (fig. 634 n. hypol.), die men veeleer tot den hypothalamus van het striatum zou kunnen rekenen.

Al deze kernen ontstaan in de bodemplaat. Zij ontstaan als afzonderlijke lichamen en er is eigenlijk geen reden om hen niet als afzonderlijke kernen te beschouwen. Men maakt dus de wel rechtmatige onderstelling, dat het ventrale gedeelte van de hersenen dat onder mesencephalon, diëncephalon en striatum is gelegen, als gelijkbeteekenend met de bodemplaat van het myelum en der oblongata is te stellen.

Voor het striatum is nog altijd een zeer omvangrijke moederbodem aanwezig. Ver lateraal als deze doorsnede wordt getroffen, is alleen de laterale knobbel van dezen moederbodem geraakt. Daaronder ziet men den kop en den staart van den nucleus caudatus (fig. 634 n. caud.) tot ontwikkeling gekomen. De sterk ontwikkelde capsula interna, waaraan men zelfs in de sagittale snede nog een voorste been, een knie en een achterste been kan onderscheiden, scheidt het, op de commissura cerebri anterior rustend, putamen (fig. 634 put.) van den nucleus caudatus af; dan gaat zij over in den pes pedunculi, zoodanig, dat de nucleus pallidus en de nucleus hypolenticularis mediaal en de n. subthalamicus, de substantia nigra en nucleus ruber lateraal van de capsula interna of pes pedunculi zijn gelegen.

Men merkt dus ook in deze snede weer op, dat de nucleus lentiformis veel verder in zijn ontwikkeling is voortgeschreden dan de nucleus caudatus, maar ook, dat de wording van den nucleus pallidus anders geschiedt, dan alleen door uitgroeiing uit het putamen der lenskern.

Men krijgt veeleer den indruk, dat de nucleus pallidus in wording overeenkomst bezit met de substantia nigra en den nucleus van L u y s. In elk geval, dat de nucleus pallidus behoort tot de grondplaat van het zenuwstelsel.

Van nu af aan zet de lenskern haar ontwikkeling voort, betrekkelijk onafhankelijk van die welke de nucleus caudatus doormaakt.

Van den nucleus caudatus is er van het caput nog zeer weinig te zien. Evenmin van eenige frontale welving in het putamen. Zelfs als men een grooten sprong maakt en de doorsneden door foetale hersenen van 23 c.M. bestudeert, is er nog groot verschil tusschen het achterste gedeelte van het striatum, dat veel verder is ontwikkeld dan het voorste.

De lenskern is thans weldra een kern geworden, waarin alle onderdeelen zijn ontwikkeld, ofschoon merghoudende vezels er nog niet in worden gevonden.

Ten einde dit toe te lichten is in fig. 635 de teekening eener doorsnede van een foetus van 23 c.M. gegeven, in transversale richting (in de richting van Forel). Deze figuur geeft een afbeelding, met Oost-Indischen inkt geteekend op een fotografischen afdruk van een karmijn-praeparaat, van welke daarna het zilver door een oplossing van cyaan-kalium is verwijderd.

Zij treft de stamganglia ongeveer door hun grootste breedte. De balk (fig. 635 c. call.) is reeds gevormd en straalt in de corona radiata uit. Onder

Sluiten