Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pallidus is een kern, die o.a. enkele belangrijke, lange, uitvoerbanen uitzendt naar het caudale zenuwstelsel (zie deel IV). Het putamen en misschien de nucleus caudatus ontvangen lange aanvoerbanen, maar zenden, blijkens W i 1 s o n's proeven, slechts korte banen naar de naaste omgeving uit.

Kortom er is een tegenstelling tusschen den nucleus pallidus, een xiitvoerkern eenerzijds en het blok, putamen -|- nucleus caudatus, ontvangkernen, anderzijds.

Die tegenstelling komt cchter niet volkomen tot uitdrukking, wanneer men den nucleus pallidus den naam geeft van „palaio-striatum" en den naam ,,neo-striatum" voor de twee andere kernen reserveert.

In den aanvang worden zoowel van het putamen als van den nucleus caudatus de achterste gedeelten aangelegd en wel door beide knobbelvormige celheuvels van den striatum-aanleg (fig. 631, 632 en 633). Toch is naar mijn meening de achterpool van het putamen een orgaan, dat vóór den nucleus caudatus wordt aangelegd. Ook is de geheele lenskern bij den foetus van 23—27 c.M. reeds herkenbaar in zijn later blijvenden vorm. Maar de nucleus caudatus wordt op dat oogenblik nog gevoed door een cellenheuvel, die vele malen grooter is dan de kern zelf, en daaruit wordt tevens nog materiaal geleverd aan de voorpool van het putamen.

Kortom, het achterste einde van de lenskern schijnt een orgaan van ouder datum te zijn dan de nucleus caudatus, maar dit rechtvaardigt nog niet een deel er van, den nucleus pallidus, als het palaio-striatum aan te zien.

De nucleus pallidus moet volgens een ander criterium worden bezien. Zoowel door zijn bouw, als door zijn verbindingen gedraagt hij zich als een uitvoerkern. Als men de gegevens voor het ruggemerg hier toepast, behoort de nucleus pallidus zich dus te ontwikkelen uit de basale plaat van den aanleg.

De voorstelling van Bok overnemend, hebben wij een basale plaat aangetoond, als een van den aanvang af aan weerszijden verbonden plaat in het telencephalon (fig. 629 Nr. 7) en in het diëncephalon (fig. 629 Nr. 8 en 9).

Beide platen gaan echter zoo geleidelijk in elkander over, dat men bij den foetus van 25 m.M. niet kan zeggen, welk gedeelte der basale plaat van de celheuvels voor het striatum uit het telencephalon en welk gedeelte ervan uit de basale plaat van het diëncephalon moet worden afgeleid.

Wij zijn hiermede beland midden in den strijd der meeningen op dit gebied. Dat de ontwikkelingsgeschiedenis van het menschelijk embryo ons geen recht geeft om van den nucleus pallidus uitsluitend te spreken als van een palaio-striatum, hebben wij reeds vermeld.

Kappers evenwel, nadat hij door vergelijkend-anatomische onderzoekingen gekomen was tot een driedeeling van het pallium, in een archi-cortex (ammonshoorn), palaio-cortex (rhinencephalon) en neo-cortex, die een wereldberoemdheid heeft verkregen, was langs dienzelfden weg tot een driedeeling in het striatum gekomen. Het archi-striatum wordt met den nucleus amygdalae gelijkgesteld, het palaio-striatum (den nucleus basalisof hypolenticularis)homologiseert hij met den nucleus pallidus van den mensch, en het putamen -\- den

Sluiten