Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nucleus caudatus vergelijkt hij met het neo-striatum der lagere zoogdieren. K o d a m a geeft aan het striatum en bloc, door hem van een embryologisch standpunt bezien, den naam van „palaio-cerebrum".

Ik heb niet het geringste bezwaar om van vergelijkend-anatomisch standpunt een dergelijke driedeeling van het striatum aan te nemen, zooals men in de volgende paragraaf zal zien, maar van menschelijk embryologisch standpunt bestrijd ik, dat de nucleus pallidus aangelegd wordt, voordat het putamen der lenskern is ontstaan.

Voorts zijn van geheel andere zijde stemmen opgegaan ter bestrijding van de meening, dat de nucleus pallidus uit den moederbodem van het voorste hersenblaasje zou ontstaan.

S p a t z heeft de meening geuit, dat de ijzer-rijkdom van den nucleus pallidus een argument zou zijn tegen zijn ontstaan uit het telencephalon, dat slechts weinig ijzer bevat en vermoedde om die reden, dat deze kern bij het diëncephalon, dat rijk is aan ijzer, zou behooren.

Deze meening vindt hij bij het onderzoek van menschelijke jonge embryonen bevestigd en hij wekte Kuhlenbeck tot een dergelijk onderzoek op.

Deze kon vervolgens bij een foetus van 38 m.M. vaststellen, dat de eerste aanleg voor den nucleus caudatus uit den wand van het diëncephalon zijn oorsprong neemt.

J a k o b nam deze meening over. Ook hij nam aan, dat de nucleus pallidus uit den wand van het diëncephalon ontstaat en aanvaardde de schematische teekening door S p a t z ontworpen, die den nucleus pallidus teekent, alsof hij bij den thalamus behoort.

Hochstetter, die zooal niet de meest omvangrijke, dan toch stellig de best geconserveerde verzameling van menschelijk foetaal materiaal in Europa bezit, is voorzichtig genoeg, om zich over het hier aanhangige vraagstuk niet beslist uit te spreken en stellig niet zoo beslist als de eerstgenoemde schrijvers het doen voorkomen. Maar hij laat de mogelijkheid open, dat de straks genoemde voorstelling ,,de nucleus pallidus ontstaat uit het diëncephalon" juist zou kunnen zijn.

Daarentegen wordt die meening scherp bestreden door K o d a m a, die een ander standpunt inneemt. Hij betoogt, dat er in de eerste 4 weken nog niet mag gesproken worden van een vorming van den nucleus caudatus uit de cellenheuvels voor het striatum. Aanvankelijk wordt er alleen celmateriaal voor den nucleus lentiformis aangelegd en wel uit beide celheuvels. In dit celmateriaal is tevens de aanleg voor den nucleus pallidus aanwezig.

Ook ik ben van meening, dat er inderdaad in den aanvang eigenlijk niets gezien wordt van een aanleg van den nucleus caudatus onder de celheuvels van den moederbodem en dat deze aanleg eerst bij den foetus boven de 25 m.M. duidelijk gaat worden.

Maar omtrent den eersten aanleg van den nucleus pallidus kan ik noch K o d a m a's meening, noch die van Spatz, Kuhlenbeck of Jakob in allen deele onderschrijven.

Sluiten