Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men zon met behulp der studie van foetaal menschelijk materiaal deze slotsom volstrekt niet mogen trekken.

Zooals in den aanvang van dit hoofdstuk werd vooropgesteld, schijnt het striatum zich te ontwikkelen, voor een groot deel uit het telencephalon, maar voor een caudaler deel ook uit het diëncephalon en de verdere gang van ontwikkeling heeft een doorloopende karaktertrek. Het striatum ontwikkelt zich in occipito-frontale richting, zoodanig, dat het frontale deel er van eerst wordt aangelegd, wanneer het occipitale gedeelte ervan zich al gereed maakt merg te gaan vormen.

Dit eerst aangelegde stuk bestaat echter niet alleen uit den nucleus pallidus. Het omvat ook het occipitale stuk van het putamen en dit komt in tegenstelling te staan tot het frontale gedeelte dezer kern.

Op den leeftijd van 4 maanden na de geboorte is het occipitale stuk van het putamen gemyeliniseerd, het frontale stuk ervan en de nucleus caudatus krijgen eerst merg rondom eigen vezels in de 6e maand na de geboorte en missen het nog volkomen in de 4e maand. Daarentegen is de nucleus pallidus in het occipitale stuk sterk gemyeliniseerd op den leeftijd van 4 maanden na de geboorte, maar het frontale stuk ervan, voornamelijk bestaande uit de binnenste der geledingen dezer, heeft dan nog nauwelijks merg gekregen.

Bovendien ontspringen uit de occipitale afdeeling en uit de frontale afdeeling van het striatum vezelstelsels van verschillende beteekenis.

Een zeer samengesteld vezelstelsel „het kamsysteem", ontspringt in het occipitale gedeelte, uit de striae medullares van den nucleus pallidus. Het gaat door de ansa lenticularis naar het kamsysteem. Het begint zich reeds met merg te voorzien in de 6e foetale maand. Het stelt het striatum in verbinding met den nucleus van L u y s, met de substantia nigra, de roode kern, met het ventro-laterale gedeelte van den thalamus en met het caudale zenuwstelsel.

Dit stelsel van vezelbundels is veel samengestelder dan het stelsel, dat in de frontale afdeeling een oorsprong vindt. Dit laatste gaat vooral uit van de stria limitans en van de striae medullares der buitenleden van den nucleus pallidus. Het gaat door de ansa heen naar den pedunculus inferior thalami. Het begint de myelinisatie in de 8e maand van het foetale leven en verbindt het frontale striatum met den epithalamus.

Beide vezelstelsels zijn van elkander geheel onafhankelijk (fig. 641 en fig. 642). Het is dan ook niet geoorloofd om beide stelsels bijeen te voegen en door elkander heen te beschrijven.

Stellig bevat het kamsysteem een strio-thalamische en een thalamo-striatale straling, die naar de latero-ventrale en mediale thalamus-kernen toegaan. Ook de pedunculus inferior thalami bevat een strio-thalamische straling, maar uitsluitend voor den epithalamus, het tuberculum anterius thalami. Men ziet bij dezen gang van de ontwikkeling voor zich datgene, wat door von Monakow bestempeld is met den naam van verhuizing der jongste functies naar de voorpool van het zenuwstelsel.

Sluiten